|
Wanneer
wij het hebben over oneindigheid van ruimte en tijd, dan hebben wij het over een
fenomeen, dat alles wat wij kennen naar welke kant dan ook letterlijk oneindig
is. Er is geen einde aan.
In
ruimte zijn dingen oneindig: van oneindig klein naar oneindig groot. In
wezen praten wij dan over iets dat onvoorstelbaar is voor ons denkende en
metende mensen. Een berg is groot een mier is klein. Ons wordt nu verteld dat er
naar beide kanten -groot en klein- geen einde is aan afmetingen. Wij kunnen ons
zelfs afvragen of wat wij als dingen, als objecten beschouwen wel echt zijn, in
de zin van: materieel aanwezig. Bestaan er wel vaste punten, wanneer alles wat
wij kennen zich ergens schijnt te bevinden tussen oneindige grootheden?
Wij
bevinden ons ergens midden van een oneindig continuüm. Waar -naar alle kanten
toe- ons heelal oneindig is, zijn er dus geen grenzen. Er is zowel geen
ondergrond waarop alles vanuit ontstaat (stel een singulariteit, een werkelijk
objectief bestaand nul-punt) alsook geen buitengrens. Dat kunnen wij ons
natuurlijk ook niet voorstellen. Wat zou er achter die grens moeten zijn? Wanneer dat
iets zou zijn, waar houdt dan dan op? Wanneer er niets achter de grens zou zijn,
hoe ziet dan de grens tussen iets en niets eruit? Een gigantische ballon?
Met wat er om heen?
Wij
kunnen nooit bepalen wat het midden van het Heelal is. Immers het midden t.o.v.
van Wat? Wanneer het heelal oneindig is, is deze dat vanuit willekeurig punt. Of
je nu hier staat (A) of een 100 meter verder (B), dat maakt ter wille van de
plaatsbepaling niets uit. Vanuit A of B is alles naar alle kanten even oneindig.
Er is geen maat(meet-)staf, noch voor het bepalen waar de niet bestaande grenzen
zijn, noch voor het bepalen van waar het midden is.
Wij
vergelijken alles met dat wat ons bekend is. Vandaar dat de berg voor ons groot
is en de mier klein. Maar grootte is geen objectief gegeven. Het is altijd een
maat t.o.v. iets. De berg is voor ons enorm, maar gezien vanuit een spaceshuttle
is de berg niet meer dan een kleine uitstulping op aarde. Alles is dus relatief,
wat betekent dat het zijn waarde ontleent aan de relatie met iets anders.
Wanneer ik in de trein loop, ga ik net zo langzaam voor mijn medetrein
passagiers, als ik denk dat ik ga. Voor een boer die de trein ziet passeren,
beweeg ik mij echter met grote snelheid aan hem voorbij. Het is maar van waaruit
je iets bekijkt. Wat voor ons zeker lijkt, is dat vanuit de relaties die wij
gewoon(gewend) zijn te leggen.
Maar
er is nog meer aan de hand: wanneer er geen absolute buitengrens is, zijn er ook
geen binnengrenzen. Stel dat onze (bedachte) grens reëel is, dan begrenzen wij
het onbegrensde. Dat kan niet. Alles is oneindig, behalve hier bij ons, althans
die indruk hebben wij. De tafel is echt, de kast zit op slot. Allemaal
grenzen.
Maar
onze ervaring van grenzen is niet reëel. Wij ervaren iets dat in werkelijkheid
niet zo is. Waarschijnlijk (of zeker) is onze ervaring met objecten daarom niet
werkelijk. Wij denken dat wij grenzen ervaren tussen ons en allerlei objecten,
maar dat is in werkelijkheid niet zo. Elk punt is oneindig. Er bestaan geen
grenzen. Wat is er aan de hand?
Alles
ervaren wij via ons bewustzijn. Wij zien een boom. Wanneer wij dat proces goed
gaan onderzoeken, ontdekken wij ten eerste dat wie wij zijn heel onduidelijk is.
Ik zie. Wie is dat ik dat ziet? Dat ik is ons denken, wat wij op zijn beurt
kunnen waarnemen. Dat denken, ons kleine ik, is observeerbaar. Maar wie
observeert? Die ik is onkenbaar.
Dus
iets onbekends ziet de boom.
Maar kunnen wij
het zien zien?
Kijk
maar eens naar je kijken, luister maar eens naar je luisteren. Dat kunnen wij
niet. Wij denken dat er een apart ik=
iets doet, maar dat ervaren ik=
is een combinatie van een ervaren spanning in het hoofd (een stuk
lichaamsbewustzijn) plus een stuk concluderend denken. Maar dat alles wordt door
iets in ons waargenomen, dat zelfde iets dat de boom ziet. Wat doen wij?
Wij worden ons bewust van een beeld (waar wij boom tegen zeggen) en
noemen dat zien. Of die boom buiten ons staat, nemen wij aan, maar een feit is,
dat de boom ons alleen via ons eigen bewustzijn gezien wordt. Wij mogen aannemen
dat de boom buiten ons een zelfstandig bestaan heeft, maar bewijzen kunnen wij
dat nooit. Zelfs wanneer vrienden ons verklaren dat die boom er altijd gestaan
heeft, nemen wij die vrienden waar via datzelfde eigen bewustzijn.
Zen
zegt er is geen ziener, het zien en het geziene. Er is alleen zien. Dat zien is
alles wat echt is. De rest is een proces van interpreteren, een zijtak van het
werkelijke zijn, dat ons het idee geeft dat wij een situatie waarnemen, waarin
wij (als apart wezen) ons bevinden in een wereld van objecten en in de hand
kunnen hebben, wanneer wij maar slim en oplettend genoeg zijn.
Hoe
vaak merk je echter dat jij een situatie heel anders hebt beoordeeld, dan mensen
om je heen. De Japanse Zenpatriarch Dogen zegt dan ook dat elk mens in zijn
eigen (zelfgeschapen) wereld leeft. Hij stelt: "Ieder mens regelt zichzelf
en noemt dat de wereld"
Het
antwoord komt van een andere zenmeester, die zei: "Niet ik leef het leven,
maar het leven leeft mij!" En dat leven is onzichtbaar, binnen in mijzelf,
onvindbaar, net als ikzelf: ik ben ook onvindbaar: ik ben het
Zelf.........................
Ik
ben in de grond onkenbaar, niet bestaand als een iets, geen punt in een ruimte,
maar die ruimte zelf, die we ook niet kunnen pakken.
Tja.............en
tijd?
Daarvoor
geldt hetzelfde: oneindigheid heeft ook betrekking op tijd. In wezen is er geen
tijd. Daar leggen we in een ander hoofdstuk uit. Het is altijd Nu, Heden, Op Dit
Ogenblik. Als er oneindigheid in tijd is, is er alleen Nu. Dan heeft het geen zin over fenomenen als
vroeger of later te denken. Alles wat in de materiële wereld ervaren beoordelen
we aan een vergelijking met wat anders. Elke ding heeft zijn betekenis voor ons
in relatie tot iets anders, een kleur, een geur, een maat. Vandaar de
relativiteitstheorie van Einstein. Ik ben groot t.o.v. een mier, maar ik ben
klein t.o.v. een berg. Waar die vergelijking in ruimte wegvalt, doet dat dat ook
in termen van tijd. In oneindigheid zijn geen vaste ijkpunten. Een dag is voor
een eendagsvlieg zijn hele leven, voor de levensduur van de aarde een fractie
van een moment.
Er
is geen tijd in werkelijkheid. Er is alleen het heden. Wij vormen de tijd door
ons denken, door onze verlangens, door onze heimwee, door onze angsten. Wij
brengen een ordening in gebeurtenissen aan door er een tijdsmaat aan te
koppelen. Tijd is de meeteenheid tussen gebeurtenissen. Maar alles gebeurt Nu.
Ga maar na: Nu is Nu, haal even adem, en ervaar weer; het is nog steeds Nu. Er
is geen meervoudsvorm voor Nu, er zijn geen verschillende nu-en. Het is altijd
Nu, heden, op dit ogenblik. Het verleden is denken, de toekomst is denken.
Ergo, wij als denkers zijn tijd.
|