|
Het “Cogito
ergo sum” van
René Descartes
Een citaat:
"Ik had
allang beseft dat men, bij het handelen, zich vaak moet houden aan
meningen waarvan men weet dat ze onzeker zijn, hoewel men moet doen
alsof ze ontwijfelbaar zijn, ( ….…) ;
maar omdat ik
mij uitsluitend wilde wijden aan het zoeken van de waarheid, meende ik
nu juist het tegenovergestelde te moeten doen en al datgene, waarin ik
mij iets twijfelachtigs kon voorstellen als volstrekt onwaar te moeten
verwerpen, teneinde na te gaan of daarna nog iets zou overblijven,
waarvan ik mocht geloven dat het absoluut onbetwijfelbaar zou zijn.
Zo besloot ik,
omdat onze zintuigen ons soms bedriegen, te veronderstellen dat niets is
zoals het ons door de zintuigen wordt voorgespiegeld. En omdat sommigen
zich vergissen bij het redeneren, zelfs als het gaat om de meest
eenvoudige meetkundige problemen, en fouten maken, en ik meende dat ook
ik mij kon vergissen, verwierp ik - als onwaar - alle redeneringen die
ik daarvòòr als geldige bewijzen had beschouwd. En tenslotte,
overwegend dat alle gedachten, die wij hebben als wij wakker zijn, ons
op dezelfde wijze ook kunnen overkomen wanneer wij slapen, zonder dat er
dan één bij is die waar kan zijn, nam ik het besluit, te doen alsof
alles waarvan ik mij ooit bewust was geweest, niet meer waarheid bevatte
dan wat ik op bedriegelijke wijze droom.
Maar onmiddellijk
daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is,
het noodzakelijk was dat ik die dat dacht, iets was.
En beseffend dat deze waarheid : Ik denk, dus ik ben
zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige
veronderstellingen van de sceptici niet bij machte waren haar aan te
tasten, meende ik dat ik haar zonder enig bezwaar kon beschouwen als het
eerste uitgangspunt van de filosofie dat ik zocht."
René
Descartes, Discours
de la méthode
Bron:http://home.hetnet.nl/~herakleitos/Kennistheorie/Descartes.htm |
|
Ja, en zo is het dus niet. Descartes
vergat naar de bron van het denken te kijken. Wij zijn niet de denker.
Op deze website ga ik daar een aantal keren diep op in. Wij zijn niet de
denker, want wie is het die deze conclusie trekt? De denker? Ik neem
mijzelf waar, de denker neemt de denker waar.......het subject dat het
object waarneemt zou dus gelijk zijn aan het object. Dat kan niet. De
denker, het denken kan niet aan zichzelf ontstijgen om zichzelf waar te
nemen. Het denken denkt, en het kan niet zien, voelen of horen.
Het denken is een functie (van
woorden), waarmee wij ons innerlijk en uiterlijk leven, dat wij kennen
door onze zintuigen, kunnen organiseren. We benoemen objecten en
gebeurtenissen. Zo ontstaan woorden met een min of meer erkende betekenis
(vaak ook niet...). Die woorden vormen de taal, waarmee wij kunnen
communiceren, tenzij de ander andere woorden voor onze objecten
gebruiken....De ander spreekt dan een ander taal. Dan moeten wij ons
redden met handen en voeten en door steeds harder te praten.... Wij
staan met een mond vol tanden.
Het denken is dankzij die woorden de
organisator van ons geheugen. Het denken denkt als functie de toekomst
te kunnen voorzien. Maar dat is allemaal niet zo. Het denken kan alleen
werken met reeds gekende woorden en gekende betekenissen. Met het totaal
nieuwe, het totaal onbekende, weet het geen raad.
Het denken is niet de laatste, de primaire
instantie in ons, van ons. Het denken kunnen wij niet gelijkstellen aan
ons 'zijn', ons leven.
Besef wat dit in houdt. Wij zijn niet
het denken, wij zijn niet de persoon. Wij zijn datgene wat het denken
kan waarnemen. En de waarnemer kan nooit gelijk zijn aan dat wat het
waar neemt*). Wanneer het denken stopt is er altijd een blijvende
aanwezigheid die dat waar neemt. Ergo wij blijven bestaan, ook zonder
denken.
Wij zijn de waarnemer van het denken,
van het gegoochel met woorden, van 'onze' emoties en beelden. Alles wat wij zien
komt en gaat. Alleen de waarnemer of het waarnemen blijft altijd -verborgen- aanwezig.
Verborgen omdat wij de waarnemer in onszelf (en bij de ander) niet
kunnen zien, voelen of ervaren. Wij zijn het waarnemen zelf. Wij zijn
niet het gedoe van de wereld, van de processen van opkomst en ondergang.
Wij zijn niet het geboren worden en sterven. Wij staan 'daarbuiten' en
kijken toe. Hoewel 'daarbuiten'.... Wanneer je de ommekeer (de
be-kering) hebt gemaakt,
al is het maar even geweest, dan weet je dat alle gebeuren van de wereld
in jou plaatsvindt. In jou, niet in jouw persoon, niet in Jantje of
Marietje, maar in jou als de immer aanwezige, als de immer
onvindbare.
Kijk maar eens nu -op dit ogenblik dat
je dit leest- aandachtig naar het
beeldscherm, bekijk het apparaat zelf, en dan wat er op staat, deze
woorden, de kleuren, de afbeeldingen en richt dan in één keer je
aandacht op datgene dat naar het beeldscherm kijkt. Jij. En ervaar hoe
het beeld ineens verschuift. Ervaar wat het met je doet.... Ervaar hoe
het gevoel van het waarnemen verandert. Want jij bent ruimte, openheid,
geen vast punt in de ruimte, aanwezig, doch ongrijpbaar.....
Je bent het mysterie zelf!
*) Uiteindelijk zal blijken dat er geen onafhankelijke
waarnemer en het (los daar van) waargenomene zijn. Er is alleen
waarnemen, zien, zijn. Alles is Een. Niets iets, dat een ander iets
ziet. Het 'iets' wat geacht wordt te zien, blijkt onvindbaar. Achter het
zoeken, achter het zien is niets. Het zien kan niet in zichzelf zien.
Dat wat gezien wordt kan slechts bestaan bij gratie van zien.
Zonder zien is er voorts geen weten van bestaan van
het geziene. Zien en iets zien treden tegelijk op.
Aangezien er ook niemand is die ziet, is er alleen
Zien.
|