|
Een paar maanden geleden had ik een
ontmoeting met Michelle Mikklesen, een bezoekster die wilde weten hoe sommige
van mijn boeken tot stand waren gekomen. Ze was zo geraakt door sommige
anekdotes dat ze even later terug kwam met een taperecorder èn met de vraag het
verhaal nog eens te vertellen. We begonnen van voren af aan, maar het werd geen
gewoon interview. Op amicale wijze bestookte ze me geregeld met vragen en
opmerkingen. Een paar dagen later was zo vriendelijk mij het transcript te
geven. Wat nu volgt is mijn versie van die notities. Dank je Michelle!
David
Michelle: David, kan je beginnen met te vertellen waarom je
schrijver bent geworden?
David: Dat had vele oorzaken. Toen ik in 1977 bij de
Ramanashram woonde, werd me al gauw duidelijk dat de vele goede spirituele
boeken aldaar moeilijk te bemachtigen waren. Ze lagen in een kamer naast de
koeienstal van de ashram en de sleutel van de deur was in het bezit van een
nogal knorrige man in de receptie die het liefst zag dat niemand in die kamer
kwam. Ik bood dus aan de zaak te catalogiseren tot een bibliotheek zodat een
ieder de boeken kon raadplegen. Het ging echt om duizenden boeken over tal van
spirituele onderwerpen. Toen ik tenslotte aan de slag mocht, kwam ik tot de
ontdekking dat de meeste boeken door de uitgevers aan de ashram waren geschonken
in de verwachting dat ze zouden worden meegenomen in de kritieken van de
boekenbijlage van The Mountain Path, het tijdschrift van de Ashram. Ik merkte al
gauw dat de organisatie van de boekenbijlage in staat van ontbinding verkeerde.
Boeken werden doorgestuurd naar critici die er verder niets mee deden, of ze
deden er zo lang over dat, wanneer ze hun kritieken instuurden, de boeken al
bijna niet meer te krijgen waren. Omdat ik wel inzag dat de toestroom van boeken
zou stoppen als het systeem van de kritieken niet grondig gereorganiseerd zou
worden, begon ik zelf met lezen en met kritieken te schrijven. Zo kregen de
uitgevers de zekerheid dat wij hun boeken de juiste aandacht gaven.
Nadat de redacteur gemerkt had dat ik goed schrijven kon, of
ten minste beter dan de meeste van zijn medewerkers, gaf hij me meer schrijf en
redactiewerk. Een paar jaar later voerde ik in feite de redactie van het gehele
blad, waarschijnlijk omdat niemand anders in die job geïnteresseerd was.
Terugkijkend kan ik zeggen dat ik een schrijver ben geworden om de eenvoudige
reden dat ik zo’n groot aantal boeken te lezen kreeg aangeboden.
Michelle: Wanneer besloot je om in plaats van kritieken en
artikelen, zelf een boek te schrijven?
David: Ik denk dat het idee kwam van mijn leraren in die tijd.
Volgens mij ben ik niet zelf op het idee gekomen. Eind jaren 70 tijdens een
ontmoeting met Nisargadatta Maharaj, vertelde ik hem dat ik kritieken schreef
voor The Mountain Path. Hij keek me eens goed aan - het leek wel of hij door me
heen keek - en zei, ’Waarom schrijf je zelf niet een boek over de Leer? Het
gaat om de instructies; die zijn belangrijk’. Ik weet nog hoe verbaasd ik was
door dat voorstel. Ik had er nog niet eerder bij stilgestaan. Met zijn voorstel
heb ik lange tijd niets gedaan maar tenslotte gaf ik toe. Ik herinner me nog de
woorden en de kracht die Maharaj aan ze mee gaf. Het was meer een opdracht dan
een vrijblijvende suggestie.
Maharaj raadde me aan over de Leer te schrijven.
Tegelijkertijd raadde hij me af er voordrachten over te geven. Rond 1980 gaf ik
in New Delhi een voordracht over de leer van Bhagavan Ramana Maharshi. Op de
terugweg naar Tiruvannamalai, onderbrak ik mijn reis een paar dagen om Maharaj
te ontmoeten.
Iemand moet hem verteld hebben over de voordracht die ik in
New Delhi gegeven had. Toen hij me uitnodigde naar voren te komen, deed ik dat
en nam tegenover hem plaats. Dat was de gewoonte als hij iemand iets wilde
vertellen.
'Neen, neen’, zei hij, ‘kom gewoon naast me zitten en kijk
de mensen aan’. De moed zonk me in de schoenen. Ik wist niet wat hij van plan
was maar ik wist wel dat ik de wind van voren zou krijgen.
Hij begon me te plagen door te zeggen dat er slechts een man
of veertig gekomen waren om hem te ontmoeten terwijl ik zojuist honderden mensen
in New Delhi had toegesproken. Het was zonneklaar dat ik veel beter was op dit
gebied dan hij en dus nodigde hij me uit een voordracht te geven aan de
aanwezigen. Ik probeerde nog te ontsnappen maar toen ik merkte dat hij het
meende, gaf ik in vijf minuten tijd een samenvatting van wat ik in New Delhi had
gezegd. Een van zijn vertalers zorgde voor een simultaan vertaling. Ik voelde me
als een student die na zijn propedeuse scheikunde aan Einstein zijn opgedane
kennis mag uitleggen.
Toen ik klaar was, zei hij zachtjes, ’met wat je gezegd
hebt, kan ik het niet oneens zijn. Alles wat je zei, klopte’. Hij keek me
doordringend aan en zei, ‘Verknoei je tijd niet met het geven van spirituele
voordrachten tot je zelf ontwaakt bent, tot je uit eigen ervaring weet waar je
het over hebt. Anders word je net zo iemand als Wolter Keers’.
Wolter Keers was een Nederlandse Advaita leraar die Europa
ron d trok om voordrachten over Advaita en Yoga te houden en dat deed hij in
tenminste drie talen. Hij was een welbespraakt en goed geïnformeerd leraar die
geregeld Maharaj kwam opzoeken. Iedere keer als hij verscheen, ging Maharaj
tegen hem te keer en wees hem erop dat hij zich niet als leraar moest
presenteren zolang hij niet ontwaakt was. Ik snapte wat hij bedoelde en heb
sindsdien nooit meer een openbare voordracht gehouden.
Van Papaji kreeg ik min of meer dezelfde boodschap. Hij
moedigde me aan over hem te schrijven. In feite nodigde hij me uit
Tiruvannamalai te verlaten en naar Lucknow te komen om het manuscript samen te
stellen dat uiteindelijk als ‘Nothing Ever Happened’ gepubliceerd zou
worden. Toen ik hem in 1993 voor een video documentaire interviewde, zei hij,
‘Als je straks terug bent in het Westen en men vraagt je wat er met je is
gebeurd in Lucknow, ga er dan niet op in. En als ze blijven aandringen dan ga je
maar lachen. Hij vroeg me over hem te schrijven maar hij wilde niet dat ik voor
een publiek over hem zou spreken. Anderen daarentegen werden aangemoedigd te
spreken maar werden gevraagd niet over hem te schrijven. Voor verschillende
mensen gelden dus verschillende instructies, verschillende adviezen.
Michelle: Waren er nog meer leraren die je aanraadden te gaan
schrijven?
David: Toen ik voor het eerst in de Lakshmana Ashram kwam, was
het juist het schrijven waar ik mee wilde stoppen. Ik had jarenlang in de Sri
Ramanashram gewerkt. Ik deed daar de redactie van de Mountain Path en zorgde
voor de bibliotheek. Wat ik nu wilde, was mediteren aan de voeten van een
gerealiseerde leraar. Een paar weken na mijn komst vroeg Lakshmana Swamy me een
boekje te schrijven over Saradamma. Hij vertelde dat hij bang was voor de
mogelijkheid dat zij het lichaam wilde verlaten omdat ze de gewoonte had in
lange, diepe trance te raken, een diepe trance van waar het weer moeilijk was om
tot gewoon bewustzijn te komen.
Hij dacht dat als Saradamma zelf volgelingen zou hebben, dit
er toe zou leiden dat ze haar aandacht meer naar de wereld zou verleggen. Het
boek was dan ook bedoeld om de wereld te laten weten dat ze bestond. In die tijd
waren beiden zo goed als onbekend. Ik bleef het eerste
jaar ongeveer zeven maanden in hun ashram. Behalve dan
Saradamma en Lakshmana Swamy was ik er samen met nog iemand. 's Avonds kwamen
er soms wat mensen langs. Toen Saradamma twee weken lang naar haar familie in de
stad was, was ik de enige die Lakhsmana Swamy gezelschap hield.
Michelle: Dat was dus jouw tweede boek; het eerste was “Be
As You Are”?
David: Neen, dit was het eerste. Ik schreef het in 1982 maar
het werd pas rond 1986 uitgegeven.
Michelle: Hoe kwam dat? Waarom duurde het zo lang?
David: Dat is een verhaal apart. Toen Lakshmana Swamy me vroeg
dit boek te schrijven, heb ik natuurlijk ja gezegd. Hij zei dat ik met Saradamma
moest praten om haar verhaal te horen. Echter, steeds wanneer ik er over begon,
merkte ik dat ze een gesprek ontweek. Ze had helemaal geen behoefte aan een
boek. Ze wilde niet dat er veel mensen zouden komen om haar te ontmoeten, want
dat zou natuurlijk kunnen gebeuren als het boek uitgegeven werd. Saradamma was
tevreden met het leven zoals ze dat nu leidde.
Ik ging naar Lakshmana Swamy en vertelde hem dat Saradamma
geen interesse had mee te werken aan het project. Hij bedacht dat als hij bij
onze gesprekken aanwezig was, ze wel mee moèst werken en haar verhaal zou
prijsgeven. Hij wist dat ze moeilijk een verzoek om een gesprek kon afwimpelen
als hij er bij was. Dit was een flinke steun voor me want nu kon ik iedere dag
een uur bij ze zijn en kon Saradamma de verschillende episodes uit haar leven
horen vertellen.
Zelfs als Lakshmana Swamy naast haar zat om haar tot spreken
te animeren, was het soms moeilijk om informatie los te krijgen. Soms praatte ze
gewillig maar er waren ook momenten dat ze zweeg en weigerde ook maar iets los
te laten. Nadat we een paar weken zo in gesprek waren, maakte ze bekend dat ze
niet langer mee zou werken tenzij de helft van het boek aan Lakshmana Swamy
gewijd zou worden. Lakshmana Swamy zat er niet op te wachten dat er een boek
over hemzelf zou verschijnen maar hij moest er tenslotte mee akkoord gaan. Het
was de enige manier waarop Saradamma ertoe te bewegen was verder te gaan met
haar verhaal. De gesprekken werden hervat. Geen van tweeën wilde een boek over
zichzelf maar beiden wilden een boek over de ander.
Lakshmana Swamy had Saradamma veel verteld over zijn eigen
leven. Nu schreef ze alles op wat ze zich herinneren kon en als ze met zijn
tweeën waren, vroeg ze hem aanvullende informatie. Alles kwam in een groot
notitieblok dat ze mij tenslotte overhandigde. Toen ik eenmaal de contouren van
het verhaal kende, was Lakshmana Swamy bereid mijn aanvullende vragen te
beantwoorden.
Saradamma bleek zich bijna feilloos de kleinste details te
kunnen herinneren over de jaren van haar eigen sadhana. Af en toe wees Lakshmana
Swamy haar erop dat ze zich beter kon beperken tot wat werkelijk belangrijk was.
Hoe dan ook, de hoeveelheid materiaal die ik aan het verzamelen was, groeide met
de dag. Ik constateerde dat het ’kleine boekje over Saradamma’ waar
Lakshmana Swamy het oorspronkelijk over had, uit zou groeien tot een flink boek.
Op zekere ochtend toen ik op Lakshmana Swamy’s veranda
verscheen voor mijn
interview, zei hij, ‘Geen details meer en geen interviews.
Je kunt nu gaan en het boek schrijven. Ik geef je er twee weken de tijd voor’.
Ik was met stomheid geslagen. Volgens mij had ik nog heel wat goede verhalen te
goed en in twee weken tijd een boek schrijven van begin tot eind, dat was iets
wat me totaal onhaalbaar leek.
Twee factoren waren oorzaak van het ultimatum. Ten eerste had
Lakshmana Swamy maar een klein bedrag beschikbaar voor de publicatie van het
boek. Een plaatselijke uitgever had hem voorgerekend wat de kosten zouden zijn
en hij was tot de slotsom gekomen dat hij het zich niet permitteren kon een
groter boek uit te geven. De deadline van twee weken werd veroorzaakt door zijn
plan een exemplaar van het boek op Sri Ramana Maharshi’s samadhi (graftombe)
neer te leggen bij zijn eerstvolgende bezoek aan Tiruvannamalai. Dus had hij
uitgerekend dat ik twee weken de tijd had om het boek te schrijven en ongeveer
één maand om het te drukken.
Ik begon aan het boek te werken. De eerste versie schreef ik
met de hand en later typte ik de definitieve versie uit op een oude typemachine
waarvan een paar letters ontbraken. De open plekken vulde ik later in met de
hand. De deadline van twee weken nam ik heel serieus. Het staat me bij dat ik de
laatste dagen er dag en nacht aan werkte. In ieder geval heb ik er de hele nacht
vóór ik het manuscript moest afleveren, aan gewerkt. Volgens mij was ik pas
een goed uur vóór Swamy’s gebruikelijke darshan om 9 uur ‘s morgens,
klaar.
Lakshmana Swamy was in die tijd nog erg toegankelijk.
Bezoekers konden dagelijks bij hem aanschuiven met hun dagelijkse problemen. Om
9 uur ging ik naar hem toe, raakte uit respect zijn voeten aan en overhandigde
hem mijn manuscript. Saradamma was die dag afwezig maar ik weet niet meer
waarom. Lakshmana Swamy lachte en zei dat hij het niet lezen kon omdat hij de
vorige dag zijn bril gebroken had en het een paar dagen zou duren voor hij een
nieuwe kreeg. Dit was het eerste teken dat de deadline niet gehaald kon worden.
Al dat gehaast op het laatste moment bleek voor niets te zijn geweest. Omdat hij
zelf echt niets kon lezen, las ik op zijn verzoek het hoofdstuk voor waarin
Saradamma in zijn aanwezigheid het Zelf realiseerde. Hij leek het te waarderen.
Ongeveer een week later vertelde hij tijdens de ochtend
darshan dat hij het manuscript gelezen had en het goed vond. Hij had me
aangekeken en blijkbaar gezegd dat ik goed werk geleverd had. Ik zei ’blijkbaar’
want zelf heb ik het hem niet horen zeggen. De andere aanwezigen hoorden het
wel. Lakshmana Swamy is uiterst spaarzaam met het prijzen van zijn devotees, met
uitzondering van Saradamma natuurlijk en volgens mij was dit het enige
compliment dat hij me ooit rechtstreeks gegeven heeft. En juist dat heb ik
gemist! Misschien dacht hij dat het slecht voor mijn ego zou zijn om zoiets te
horen en dus slaagde hij erin het zo te zeggen dat iedereen het kon horen
behalve ik.
Het manuscript ging naar een devotee in de buurt die een
drukpers had in de nabij gelegen stad Gudur. Helaas beschikte hij niet over de
faciliteiten om boeken te drukken. Volgens mij was hij meer gespecialiseerd in
huwelijkskaartjes en drukwerk op dat formaat. Hij had onvoldoende letters om een
boek te kunnen samenstellen en ook was zijn ervaren letterzetter het grootste
deel van de tijd dronken. Voor mensen die opgegroeid zijn met computers is het
goed te weten dat er een tijd geweest is dat boeken letter voor letter werden
samengesteld. Metalen lettertjes werden in regelruimten op houten blokken
gehamerd waarna de metalen oppervlakten van een inktlaagje werden voorzien om zo
een proefdruk te krijgen. Als er dan fouten waren, werden de regels weer
losgetrokken en werd alles opnieuw gezet. Het mag
middeleeuws klinken maar dit is in principe hoe de meeste
boeken waar ook ter wereld tot in de jaren 80 gedrukt werden.
Ervaren letterzetters doen dit werk in hoog tempo maar als je
het nog niet eerder gedaan hebt, ben je er maanden mee bezig. Hier dus ook.
Tegen de tijd dat we naar de Sri Ramanashram zouden gaan, waren er pas een paar
pagina’s klaar en nog zaten ze vol drukfouten. Tenslotte werd het duidelijk
dat de drukker het niet aankon maar het geld dat nodig was voor een
professionele opdracht was inmiddels uitgegeven voor andere doeleinden.
Het manuscript verdween voor jaren in de kast en pas in 1986
kwam de publicatie tot stand toen een Amerikaanse devotee aanbood de
financiering van een kwaliteitsdrukker te betalen. Vóór de publicatie maakte
ik van de gelegenheid nog gebruik een paar nieuwe verhalen die intussen
opgedoken waren, toe te voegen. Ook liep ik het hele manuscript nog eens door om
de stijl te verbeteren. De eerste versie was zo haastig samengesteld dat dat op
vele plaatsen te merken was.
Michelle: Hebben Lakshmana Swamy en Saradamma het boek nog
doorgenomen vóór de publicatie?
David: Ja zeker, ze namen de zaak heel serieus. Lakshmana
Swamy sprak en las vrij goed Engels omdat hij die taal op de lagere school had
geleerd en daarna op de middelbare school. Ik denk dat hij het manuscript vier
of vijf maal doorgenomen heeft. Iedere keer kreeg ik de tekst terug met
doorgehaalde passages of met opmerkingen in de marge. Toen hij tenslotte
tevreden was, was er een devotee die Telegu en Engels kende en het verhaal in
Telegu voorlas aan Saradamma. Ook zij bracht weer een aantal wijzigingen aan.
Het was dus heel duidelijk hùn boek en hùn verhaal. Ik was niet meer dan de
notulist die de zaak vorm had gegeven.
Michelle: Laten we terugkomen op “Be As You Are”. Dat is
het boek waar je het meest mee geassocieerd wordt. Hoe is dat boek tot stand
gekomen?
David: In 1983 ging ik terug naar Engeland en hoopte daar een
baan te krijgen. Ik was zeven jaar in India geweest en de eerste vijf jaar werd
ik met name onderhouden door de Sri Ramanashram omdat ik diverse werkzaamheden
voor hen verrichtte - het runnen van de bibliotheek, de redactie van The
Mountain Path etc. Ik wilde terug naar India met voldoende geld om financieel
onafhankelijk te kunnen zijn. Ik wilde buiten de ashram wonen en voor mezelf
zorgen. Ik kon dan meer tijd besteden aan meditatie en was dan niet langer
afhankelijk van een instelling voor mijn eten en voor woonruimte. Welnu, het
liep anders. In Engeland was niemand bereid mij in dienst te nemen. Ik stuurde
talloze sollicitaties waarin ik benadrukte hoe geschikt ik wel was voor een
bepaalde baan maar ik kreeg, of helemaal geen reactie, of negatieve reacties die
ronduit beledigend waren.
In India had ik een bibliotheek op poten gezet en vijf jaar
lang gerund maar toen ik solliciteerde naar een functie in een privé
bibliotheek die kleiner was dan die in Tiruvannamalai, ontving ik als antwoord:
'Beste mijnheer Godman, Dank u hartelijk voor uw onderhoudende
sollicitatiebrief. Echter, wij moeten de voorkeur geven aan iemand die
gekwalificeerd is voor dit soort werk’.
Maandenlang ging dat zo door. Ik heb zelfs een
sollicitatiegesprek in duigen laten vallen door op het verkeerde moment te
lachen. In Maharshi’s Gospel zegt Bhagavan dat als het je bestemming is te
werken, zal je daar niet aan kunnen ontkomen. Als het je bestemming is niet te
werken, al wil je dat ook nog zo graag, dan zul je niemand vinden die jou in
dienst wil nemen. In de zomer van 1983 zat ik dus in die positie. Wat ik me toen
niet realiseerde, was dat Bhagavan iets anders met me voor had. Mijn huisbaas
was docent filosofie aan de
Universiteit van Leicester, net als zijn echtgenote. Hij had
juist een manuscript, geschreven door zijn vrouw, afgeleverd bij de redactrice
van een uitgever in Londen.
Toen die vrouw ontdekte dat hij ook docent filosofie was, had
ze gezegd, ‘Waarom schrijft u ook niet een boek voor ons. We zijn altijd op
zoek naar nieuwe boeken over filosofie’.
Ik schrok toen ik dat hoorde. Dat was iets dat ik wèl kon. Ik
belde de redactrice op en vroeg of zij geïnteresseerd was in een boek over Sri
Ramana Maharshi. Haar reactie verbaasde me: ‘Kom zo gauw mogelijk naar mijn
kantoor. Ga vooral niet weg. We hebben u nodig. Kom meteen!’ Na al die maanden
van afwijzingen, was dit een spectaculaire ommekeer. Ik overwoog hoe zo’n boek
er uit moest zien en besprak het een paar uur later met haar. Ze keek eens naar
de verkopen van de andere boeken die over Ramana in het Westen gepubliceerd
waren en zei, ‘We kunnen het wel doen’, Het kon niet eenvoudiger. Ik kreeg
een contract en werd naar India gestuurd om “Be As You Are” samen te
stellen. Ik was verbaasd want ik was opgegroeid met mythes over het
schrijverschap. De debuterende schrijver die maanden of jaren bezig was met het
schrijven van een boek. Dan een periode die net zo lang was waarin hij zijn
manuscript aan diverse uitgevers toezond die het allemaal afwezen. Tenslotte,
wanneer hij of zij geluk had, was er de 101ste uitgever die tenslotte “Ja”
zei.
Het was mijn bestemming terug te keren naar India en boeken te
schrijven over Bhagavan, zijn Leer en zijn leerlingen. Zolang ik bleef proberen
iets anders te doen, moest dat wel mislukken.
Om van het schrijven en het redactiewerk waar ik mee bezig was
in de Sri Ramanashram af te komen, was ik in 1982 naar de Lakshmana Swamy ashram
gekomen. Binnen een paar weken zat ik daar een boek te schrijven. Toen ik een
jaar later naar Engeland kwam in de hoop daar genoeg geld bij elkaar te krijgen
om niet meer te hoeven schrijven als ik terug was in India, kwam ik in India
terecht met een contract voor het schrijven van een boek over Bhagavan. Dit is
sindsdien min of meer mijn metiér, mijn bestemming geworden. Momenteel probeer
ik het niet te weerstaan. Ik geniet ervan.
Michelle: “Be As You Are” was een groot succes. De meeste
mensen die maar één boek over Bhagavan’s Leer gelezen hebben, kennen het.
Hoe denk je dat het komt dat zo veel mensen het gekocht hebben en het zo
waarderen? Er zijn toch veel meer boeken op de markt over de Leer van Bhagavan.
David: Buiten India deed het boek het zo goed omdat het een
structuur bevat die de Leer toegankelijk en begrijpelijk maakt. Bhagavan’s
Leer kan heel verwarrend zijn als je geen achtergrond hebt van Advaita Vedanta,
of wanneer je niet begrijpt waarom hij op één en dezelfde vraag verschillende
antwoorden geeft aan verschillende mensen. Ik denk dat het boek een succes werd
omdat het de lezers het juiste perspectief verschaft om inzicht te kunnen
krijgen in wat Bhagavan te vertellen had, en in de verschillende invalshoeken
van de Leer.
Bij mijn eerste ontmoeting met de uitgeefster in Londen vroeg
ze me of ik haar iets als voorbeeld kon tonen. Dat kon ik niet want ik had het
gehele project pas die ochtend bedacht.
Ik zei haar, ‘Ik geef u mijn boek “Talks with Sri Ramana
Maharshi” wel ter inzage. Het is de grootste collectie van zijn dialogen. Ik
ga zonder meer heel wat passages uit dat boek overnemen’.
Toen ik het boek een paar dagen later op kwam halen, keek ze
nogal bedenkelijk.
‘Ik hoop dat uw boek beter is’, zei ze, ‘hier begreep ik
echt helemaal niets van’.
Nu ging het hier om een vrouw die aan het hoofd stond van de
spirituele afdeling van een grote uitgeverij in Londen. Als zelfs zij Bhagavan’s
Leer niet kon begrijpen na het lezen van boeken als de “Talks”, kan het niet
anders dan dat de meeste anderen er ook niet veel van zouden begrijpen.
Een andere factor die maakte dat het boek een succes werd, was
het vermogen van Penguin om te distribueren. In de jaren 80 en 90 was ik
verbaasd over de plaatsen waar ik het boek te koop zag staan. Als een boekhandel
maar tien spirituele boeken op de plank had staan, dan was dit boek er
waarschijnlijk één van. Voor veel mensen in het Westen vormde “Be As You Are”
de kennismaking met Bhagavan om de eenvoudige reden dat dit het enige boek over
zijn Leer was dat te koop werd aangeboden bij de plaatselijke boekhandel.
Ik weet nog dat ik rond 1990 met mijn vader en zijn tweede
vrouw in een boetiek in Pondicherry was. Zij waren op zoek naar goedkope kleding
en souvenirs. Bij de kassa hing behalve een tijdschriftenrek ook een
boekenplankje met vier boeken te koop. Een daarvan was het bekende kookboek van
Delia Smith, dan waren er twee thrillers van bekende auteurs van het Airport
genre en het vierde boek was “Be As You Are”. Mijn vader was erg onder de
indruk mij in dat gezelschap tegen te komen. Als ik af mag gaan op het
commentaar dat hij bij anderen over mij had, was hij niet erg onder indruk van
de levensstijl die ik gekozen had.
Michelle: Hoe lang ben je met dit boek bezig geweest?
David: Ik denk een maand of twee, drie, voornamelijk in mijn
vrije tijd. Toen ik eenmaal terug was in India, nam ik de verantwoording voor de
bibliotheek weer over en dat betekende een zevendaagse werkweek. ‘s Avonds was
ik dan met het boek bezig. Hoewel, wat ik nu zeg klopt niet helemaal. Ik had me
de voorafgaande zeven jaar bezig gehouden met het lezen en bestuderen van de
Ramana litteratuur en was al jarenlang serieus bezig met zelfonderzoek.
Daarnaast had ik vele lange discussies en dialogen met andere devotees over alle
aspecten van de Leer. Dit alles maakte dat ik een degelijk begrip ontwikkeld
had, dat ik in een boek kon weergeven.
Als een musicus je vertelt dat het hem een week kostte om een
nieuwe partituur onder de knie te krijgen, dan mag je aannemen dat hij eerder
jarenlang bezig is geweest om zijn instrument te leren bespelen. Ik stelde het
boek samen in een paar weken maar je kunt ook zeggen dat het de uitkomst was van
jarenlange studie en oefening.
Michelle: Je zei dat je “No Mind – I am the Self” op een
defecte typemachine moest uit typen. Was je technologie verbeterd toen je “Be
As You Are” schreef?
David: Niet echt. Ik bezat niet eens een typemachine. Ik moest
er eentje lenen om het eindmanuscript uit te typen. Alvorens aan de slag te
gaan, kocht ik in de ashram boekwinkel alle boeken van Ramana waarvan ik dacht
dat ik ze nodig kon hebben. Dan knipte ik alle dialogen eruit en hield ze apart.
De knipsels werd geselecteerd naar onderwerp en vastgeniet op blank papier in
een volgorde die mij logisch voorkwam. Het was de klassieke knip en plak methode
van de tekstverwerker maar ik deed het dan met schaar en nietjes in plaats van
met de computer. Volgens mij heb ik pas een jaar of vijf later een computer
gezien. Toen ik tevreden was met de volgorde van de passages, schreef ik bij
ieder hoofdstuk een korte inleiding en typte vervolgens de hele zaak uit. De
uitgever had mij een limiet gesteld van 80.000 woorden. Ik wilde die ruimte
zoveel mogelijk benutten en heb zoveel mogelijk woorden van Bhagavan in het boek
gezet. Dit hield wel in dat mijn toelichtingen kort en bondig moesten worden.
Soms is het wel goed als je met een dergelijke limiet te maken krijgt. Je wordt
dan gedwongen over de essentie van de Leer na te denken. Bovendien is het
samenvatten van complexe denkbeelden een goede test van je eigen kennis.
Michelle: Na publicatie van “Be As You Are” en “No Mind
– I am the Self”, heb je jarenlang niets gepubliceerd. Wat deed je in die
tijd?
David: Ik hield me bezig met schrijven en met studeren maar
daarvan is niets gepubliceerd, althans niet in boekvorm. Ik was van plan een
boek samen te stellen over alle heiligen die geassocieerd konden worden met
Arunachala gedurende de laatste 1.500 jaar. In die periode hebben hier vele
grote heiligen geleefd en onderwezen. Hun geschriften bestaan in het Tamil en in
het Sanskriet, maar daarvan is vrijwel niets ooit in het Engels gepubliceerd. Ik
besloot zoveel mogelijk materiaal te verzamelen en dan mensen te vinden die het
voor me konden vertalen. Veel vreemde en mysterieuze dingen overkwam de mensen
die ik bij deze zaak betrok. Ik begon te twijfelen of dit project Arunachala’s
zegen wel had.
Het is al weer lang geleden. Ik zal zien wat ik me nog kan
herinneren. Een vriend van mij, Robert Butler, was bekend met het klassieke
litteraire Tamil. Hij bood aan een aantal verzen voor me te vertalen maar omdat
vertalen voor hem ook iets nieuws was, wilde hij zijn werk laten beoordelen door
iemand die veel meer van Tamil afwist dan hijzelf. Ik benaderde Sadhu Om, die
algemeen beschouwd werd als de beste Tamil dichter en expert in de omgeving van
de Sri Ramanashram. Ik vroeg hem of hij bereid was een aantal verzen voor me
door te nemen om te kijken of Robert’s kennis toereikend was zodat hij met het
werk door kon gaan. Sadhu Om zei dat hij het nu te druk had maar beloofde te
zijner tijd op de zaak terug te komen. Wekenlang gebeurde er niets tot Michael
James, zijn assistent naar me toe kwam om te vertellen dat Sadhu Om beloofd had
de volgende dag voor mij aan de slag te gaan. Michael legde de verzen op diens
bureau zodat hij er de volgende morgen meteen aan kon beginnen. Die nacht had
Sadhu Om een beroerte waar hij niet van herstelde. Een paar dagen later overleed
hij.
Intussen was Robert voor familiebezoek in Engeland. Tijdens
dat bezoek werden er voor Britse en andere onderdanen uit het Gemenebest visa
geïntroduceerd. Robert wilde terugkomen met een entry visum. Hij zou dan in
staat zijn langdurig in de ashram te blijven en kon dan met me samenwerken. Ik
wist de president van de Sri Ramanashram zover te krijgen dat hij een verklaring
ondertekende waarin stond dat Robert naar India wilde komen om vrijwilligerswerk
te doen voor de ashram. Normaliter duurt het verstrekken van zo’n visum drie
maanden maar deze aanvraag bleef ruim een jaar weg omdat de Indiase regering
geen beslissing nam. Uiteindelijk verlangde iemand in New Delhi een bevestiging
van de Sri Ramanashram om te controleren of Robert daadwerkelijk door de ashram
gesponsord werd. In de Ashram schreef een medewerker die niets van die afspraak
afwist, terug en meldde dat men daar nog nooit van Robert had gehoord en dat hij
daar ook niet kwam werken. Deze brief liet Robert letterlijk in Engeland
stranden want de Indiase Regering was er nu van overtuigd dat hij gegevens op
zijn visumaanvraag vervalst had.
Nu benaderde ik een bekende vertaler van Tamil, Vanmikinathan
en gelukkig was hij bereid me te helpen. Ik gaf hem drie en vijftig verzen van
de Tevarams geschreven door bekende heiligen die geassocieerd werden met
Arunachala van de zesde tot de negende eeuw. Het was moeilijke materie om te
vertalen en kennis van de Tamil litteratuur uit die periode was vereist. Vanmikinathan had al poëzie uit deze periode
vertaald en gepubliceerd en ik was dan ook blij dat ik hem aan boord had. Na een
paar dagen kreeg ik van hem een brief waarin stond dat hij met het vertalen
klaar was. Hij zou er een goede kopie van laten maken en me het de volgende dag
per post opsturen. Ik was onder de indruk van zijn voortvarendheid. Een paar
dagen later kreeg ik van hem opnieuw een brief die als volgt luidde:
‘Geachte heer Godman,
Ik heb uw verzen vertaald en op mijn bureau gelegd met de
bedoeling ze later te kopiëren. Door het openstaande raam verscheen opeens een
windvlaag die uw papieren oppakte en de tuin in blies. Toen ik naar buiten ging
om ze te verzamelen, waren ze echter nergens meer te bespeuren’.
Vervolgens raakte deze man verwikkeld in een eindeloos
conflict met de Ramakrishna Math in Madras. Het ging over een boek dat hij voor
ze vertaald had en het gevolg was dat ik zijn diensten ook kwijt raakte. Een
tijd lang werd ik geholpen door mevrouw Ratna Navaratnam, een docente uit Sri
Lanka en devotee van Bhagavan. Zij was kenner van het klassieke Tamil. Ik weet
niet meer waarom zij er mee gestopt is. Ik kan zo gauw niets slechts bedenken,
of ik kan het me niet meer herinneren. De volgende buitenlandse deskundige die
in het drama verwikkeld raakte was Marye Tonnaire uit Amerika. Ze wilde
promoveren op de Arunachala Mahatmyam, een Sanskriet werk waarin alle verhalen
uit de Purana’s en legenden over Arunachala vermeld worden. Zij was van plan
met haar zoon naar Tiruvannamalai te komen om daar te gaan werken.
Via de post regelde ze dat haar zoon hier een jaar Frans kon
studeren. Ik zorgde ervoor dat de formulieren die ze nodig had, op het juiste
adres belanden. Zo werd ze ingeschreven bij de Universiteit van Madras en zorgde
ik er ook voor dat de docent Sanskriet haar begeleider werd want zonder zo
iemand kon ze niet aan haar proefschrift werken. Ik regelde dit allemaal voor
haar omdat ze beloofd had tijdens haar aanwezigheid hier, de Arunachala Paranam
voor me te vertalen. Deze Tamil klassieker vermeldt de meeste verhalen die in de
Arunachala Mahatmyam voorkomen. Alles was klaar voor haar komst maar de Indiase
ambassade in Parijs gaf haar het verkeerde aanvraag formulier, namelijk dat voor
een toeristen visum. Toen de aanvraag in behandeling werd genomen, werd die
afgewezen op grond van het feit dat men geen academisch onderzoek in India kan
beginnen op een toeristenvisum. Ze moest al haar plannen voor studie opgeven en
bij haar man en zoon in Frankrijk blijven. Als je aanvraag voor een visum één
keer is afgewezen, kan je niet opnieuw een visum aanvragen, zelfs niet als het
de Indiase Regering zelf is geweest die jou het verkeerde aanvraagformulier
heeft gegeven. Opnieuw verdween een potentieel medewerker.
Ondertussen verzamelde ik materiaal. In de Openbare
Bibliotheek van Madras vond ik de Kodi Rudra Samhita, de andere versie van de
Arunachala Mahatmyam. Omdat het unieke manuscript op palmbladeren was
geschreven, stelde ik een deskundige aan om alles in de bibliotheek te
kopiëren. De enige waarvan ik wist dat hij voldoende Sanskriet kende om te
kunnen vertalen, was Jagadish Swami, een devotee die in de Sri Ramanashram
woonde. Ik gaf hem de fotokopieën van het manuscript en vroeg hem of hij in
staat was de zaak te vertalen. Nog vóór hij ermee aan de slag ging, overleed
hij terwijl hij in zijn kamer zat te mediteren. Hij was ‘s avonds in
lotuspositie op een metalen stoel gaan zitten, iets wat bepaald niet comfortabel
moet zijn geweest, en in die houding werd hij de volgende morgen gevonden. Nog
steeds met zijn rug recht en in lotuspositie, maar wel helemaal dood. Volgens
mij heel mooi om zo te overlijden maar ik hoopte dat mijn manuscript er niets
mee te maken had.
Een paar dagen later deed ik de Giripradakshina, de rondgang
om de berg Arunachala. Toen ik bij de tempel en de vijver van Ganesh gekomen
was, op ongeveer een derde van de afstand, wendde ik me tot Shiva en zei, ‘Er
gaan te veel dingen verkeerd met dit project. Als u wilt dat ik ermee door ga,
geef mij dan een teken’. Ik moet nog vertellen dat ik Saradamma in de
Lakshmana Swamy ashram ook al had gevraagd of ik met het werk door moest gaan
maar zij weigerde zich daarover uit te laten. Ze zei dat ze daar de
verantwoordelijkheid niet voor wilde dragen. Ik had haar al eerder verteld over
de vervelende dingen die gebeurd waren. Ik had dit gebrek aan belangstelling
moeten zien als een teken om te stoppen.
Hoe dan ook, een paar dagen later ontving ik een factuur van
de man die in Madras de Kodi Rudra Samhita had gekopieerd. Volgens mij was die
rekening al lang betaald. Het was een kleinigheid maar voor mij was het hèt
teken om er mee te stoppen.
Vergeleken met andere betrokkenen kwam ik er nog genadig van
af. Ik brak in deze tijd mijn voet en moest twaalf weken lang met krukken lopen.
Anderen waren minder gelukkig.
Een deel van mijn werk over de Arunachala heiligen verscheen
uiteindelijk in “The Mountain Path”, maar niet onder mijn eigen naam. Ik had
eerdere bijdragen over Bhagavan wel onder mijn eigen naam geschreven, maar als
ik met andere bijdragen kwam, gebruikte ik meestal de naam van iemand anders. Zo
was er bijvoorbeeld iemand die het gelukt was met een studenten visum naar India
te komen maar hij studeerde helemaal niet. In plaats daarvan, mediteerde hij. Ik
schreef dus een paar artikelen onder zijn naam zodat hij iets kon overleggen als
de Politie rond middernacht bij hem zou aankloppen. Een andere vriendin van me,
Nadhia Sutara woonde in de Guhai Namasivaya Tempel op de berg. Omdat ook haar
positie daar niet erg sterk was, plaatste ik haar naam onder twee artikelen over
Guhai Namasivaya en Guru Namasivaya en hoopte dat de man die de tempel beheerde,
dusdanig onder de indruk zou raken dat ze daar mocht blijven.
Michelle: Lieve hemel David, je mag blij zijn dat je nog
leeft. Wat ben je gaan doen na dit avontuur?
David: Ik ben vroege verhalen gaan verzamelen van oude
devotees van Ramana Maharshi, met name die welke nog niet in het Engels waren
verschenen. Het idee was een grote anthologie samen te stellen waarin iedere
devotee een eigen hoofdstuk zou krijgen om zijn of haar verhaal te vertellen. Ik
verzamelde heel wat goed materiaal maar het boek zag pas kortgeleden het
levenslicht. Het project was op mijn prioriteitenlijst gezakt omdat er
spannender en aantrekkelijker projecten kwamen.
Rond 1987 vroeg ik Annamalai Swami of ik hem mocht interviewen
voor dit boek. Ik wist dat hij in de jaren 30 met Bhagavan in de ashram had
gewerkt en vermoedde dat zijn verhaal een goed hoofdstuk kon opleveren.
Annamalai Swami’s vertaler, die ik goed kende, deed voor mij zijn best maar
kon hem niet zo ver krijgen dat hij akkoord ging met een gesprek. Weken gingen
voorbij waarbij Annamalai Swami standvastig bleef weigeren zijn verhaal te
vertellen. Tot Sundaram, zijn vertaler, een ingeving kreeg.
Hij vertelde Annamalai Swami, ‘ David heeft al een goed boek
over Bhagavan’s Leer geschreven. Veel westerlingen die hier komen, vinden dit
het beste boek dat over Bhagavan’s Leer verschenen is’.
Dit sprak Annamalai Swami aan want zelf besteedde hij iedere
middag zeker een uur aan het beantwoorden van vragen over Bhagavan en zijn Leer.
Steeds meer Westerlingen zochten hem op in zijn ashram en hij was bereid met ze
te praten op voorwaarde dat het gesprek over Bhagavan ging. Verder wilde hij
nergens over spreken. Bhagavan had hem gezegd zich niet met anderen te bemoeien
en thuis te blijven om zoveel mogelijk te kunnen mediteren. Mensen die graag
wilden mediteren, werd gezegd dat ze in de Ramanashram moesten zijn maar als men
vragen had over spirituele oefeningen of over Bhagavan’s Leer, dan waren ze
meestal welkom, maar alleen voor zolang het nodig was om hun vragen te
beantwoorden. Het was een hele opgave Annamalai Swami te ontmoeten en het was
nog moeilijker om veel tijd bij hem door te brengen.
Annamalai Swami gaf Sundaram opdracht een exemplaar van “Be
As You Are” op te halen en die aan hem voor te lezen. Hij kende niet veel
Engels dus moest Sundaram voortdurend vertalen. Annamalai Swami luisterde naar
vrijwel het gehele boek voor hij bereid was met me te praten.
Toen ik tenslotte bij hem was, zei hij, ‘je hebt een goed
begrip van Bhagavan’s Leer. Ik weet dat je mijn woorden niet zult verdraaien’.
Er was al een heel slecht boek in het Tamil over zijn leven
geschreven door ene Suddhananda Bharati, en Annamalai Swami wilde niet dat er
weer zo’n slecht boek verscheen.
Tot nu toe had Annamalai Swami aan niemand zijn verhaal
verteld of beter gezegd hij had het verhaal nog niet chronologisch weergegeven.
Aan Sundaram en nog een paar mensen had hij wat anekdotes verteld maar het
onderlinge verband ontbrak. Een aantal weken ging ik iedere middag naar hem toe
en sprak dan ongeveer anderhalf uur met hem. Ik merkte al gauw dat het hier niet
ging om gewoon een hoofdstuk in mijn boek. Wat hij me aanreikte, was zo
opzienbarend en overvloedig dat ik begreep dat ik materiaal voor een zelfstandig
boek in handen had. Toen ik klaar was met de interviews heb ik nog bijna
anderhalf jaar geduldig en heel nauwkeurig gewerkt om het boek “Living by the
Words of Bhagavan” samen te stellen.
Voor mij was Annamalai Swami een bron van inspiratie. Hij
benadrukte èn belichaamde alle kwaliteiten die een echte discipel nodig heeft
in de omgang met zijn goeroe en diens ashram. Ik bewonderde zijn integriteit en
onwankelbare vastbeslotenheid om Bhagavan’s instructies uit te voeren, wat de
consequenties ook mochten zijn. Dit is dan ook de reden waarom ik het boek “Living
by the Words of Bhagavan” genoemd heb. Annamalai Swami’s gehele leven stond
in het teken van het ten uitvoer brengen van de instructies van de goeroe.
Toen Sundaram het eindmanuscript voorlas, was Annamalai Swami
er heel gelukkig mee. Echter, toen hij het verhaal opnieuw liet voorlezen voor
de Tamil devotees die het Engels niet machtig waren, merkte sommigen van hen op
dat er verhalen in voorkwamen die hem mogelijk in conflict met de leiding van de
Sri Ramanashram konden brengen. Annamalai Swami zag in dat dit mogelijk was. Hij
liet me komen en vroeg me het manuscript aan niemand te laten inzien.
‘Later, als ik dood ben’, mag je er mee doen wat je wilt,
maar laat het tot die tijd aan niemand lezen. Bhagavan wilde dat ik een
teruggetrokken leven zou leiden zonder veel mensen te ontmoeten. Ik zou niet in
staat zijn me aan die instructies te houden als veel mensen me wilden ontmoeten
omdat ze dit boek gelezen hebben. Ook wil ik niet dat mijn leven verstoord wordt
door mensen die komen klagen over bepaalde passages in het boek’.
Volgens mij was het toen 1987. Ik heb het manuscript weggelegd
en haalde het pas tevoorschijn in 1994. In dat jaar veranderde Annamalai Swami
van gedachte en gaf toestemming tot publicatie. Eén jaar later was hij dood. Ik
denk dat hij gelijk had door de publicatie uit te stellen. Toen het boek
uitkwam, was er veel belangstelling, ook van de kant van mensen die kwamen
klagen over de strekking van sommige verhalen.
In de laatste maanden van zijn leven werden bandopnamen
gemaakt van gesprekken met bezoekers. Op verzoek van Sundaram heb ik deze nieuwe
dialogen bewerkt tot een nieuw boek, “Final Talks”, die naar mijn mening een
heel goede aanvulling vormen op de oorspronkelijke biografie.
Michelle: Misschien moeten we nog de hiaten in je agenda van
de jaren 80 bespreken. Wat deed je in de rest van je tijd?
David: Ik verzamelde meer gegevens over oude devotees van
Bhagavan en vanaf 1988 hielp ik Lakshmana Swamy en Saradamma met het stuk land
dat zij gekocht hadden.
Lakshmana Swamy had al een paar keer aangegeven dat hij terug
wilde naar Tiruvannamalai. Aan Sundaram, Annamalai Swami’s vertaler, en aan
mij vroeg hij eens te kijken naar een stuk land dat voor hem geschikt was. We
vonden een paar opties maar iedere keer als Lakshmana Swamy kwam kijken, was hij
teleurgesteld. Een keer waren we al zover dat we besloten hadden tot aankoop van
een perceel nabij de splitsing van de Pradakshina Road bij de weg naar Bangalore
maar terwijl er al overeenstemming was over de prijs, zagen de verkopers er op
het laatste moment toch van af .
Toen werd er een perceel aangeboden achter het Government Arts
College. Tot onze grote verbazing gaf Lakshmana Swamy de opdracht tot aankoop
nog vóór hij het gezien had. Het leek erop dat hij in de vroege jaren 50 op
die plek eens een visioen had gehad van zichzelf veertig jaar later, wanneer hij
er zou wonen. De eerstvolgende keer dat hij naar Tiruvannamalai kwam, bekeek hij
het land en bevestigde dat dit de plek was van het visioen. Hij had ons naar
goede percelen laten speuren, had ons laten onderhandelen maar diep van binnen
wist hij al die tijd dat hij tenslotte zou gaan wonen op de plek waar hij nu
woont.
Ik bood aan de tuin aan te leggen. In het begin was er een
lege vlakte, zo kaal dat we in feite het kadaster hebben moeten laten bepalen
waar ons kale perceel ophield en het kale perceel van de buren begon. We hebben
het land eens goed bekeken, een afrastering gemaakt, een waterput geslagen en we
zijn bomen gaan planten. De put bleek droog en we waren gedwongen een leiding
aan te leggen naar de buren, èn om hun water te kopen. Drie jaar lang was ik
dagelijks enkele uren bezig met de tuin, met het planten van bomen en struiken.
Het was niet eenvoudig omdat er zo weinig water was. Een paar jaar achter elkaar
bracht de moesson te weinig regen.
We begonnen met de bouw van een huis voor Lakshmana Swamy en
Saradamma maar moesten ermee ophouden toen er geen water meer was. We hadden
tankwagens kunnen inzetten maar we merkten dat dit water te veel zout bevatte om
te kunnen verwerken in de bouw. Dergelijk water zou zorgen voor corrosie in het
constructiestaal. Toen de bouw stil lag, ben ik de nachtwaker geworden. In het
huis lagen gereedschap en zakken cement maar deuren en ramen om ze te beschermen
waren er niet. Ik denk dat ik het grootste deel van het jaar op het dak van dit
gebouw geslapen heb. Ik hield zo onze eigendommen in de gaten en wachtte op de
regen zodat we weer met de bouw konden beginnen. Twee jaar lang liet ik met een
tankwagen water brengen en zo kon de tuin overleven. Iedere waterput in de
omgeving stond droog.
Ik woonde nog in de Sri Ramanashram en werkte aan het project
om verhalen van Ramana devotees te verzamelen en te bewerken. Ergens in 1990
schreef ik Papaji in Lucknow en vroeg hem of hij bereid was zijn bijdrage aan
het boek te leveren. Hij antwoordde dat hij het leuk vond als zijn verhaal er in
kwam maar voegde er wel aan toe dat hij het niet zelf wilde schrijven. Hij vroeg
me om al mijn vragen op papier te zetten, dan zou hij zijn best doen ze
mondeling te beantwoorden. Dat zou dan worden opgenomen op de taperecorder. Het
leek me een goed voorstel. Het duurde een paar maanden voor hij er mee begon
maar toen het zover was, trok hij er zeker een uur voor uit om over zijn jonge
jaren en zijn ervaringen met Bhagavan te vertellen. In zijn verslag bleken een
paar onvolkomenheden te zitten maar toen ik hem schreef en vroeg om een
toelichting, kwam hij met precies hetzelfde verhaal. In 1992 besloot ik naar hem
toe te gaan om het verhaal kloppend te krijgen. Ik beleefde chaotische weken met
hem, chaotisch omdat drie dagen na mijn komst, zijn vrouw overleed en dat
betekende het totale opbreken van zijn dagelijkse routine. Talloze familieleden
kwamen opdagen en er was een trip naar Hardwar om de as van de overledene in de
Ganges te strooien. Tussen al deze gebeurtenissen in, lukte het mij toch de
meeste informatie die ik nodig had, boven water te krijgen. Erg veel kreeg ik te
horen in een last minute interview, één uur vóór mijn trein zou vertrekken.
Het was me het reisje wel!
Terug in Tiruvannamalai nam ik mijn notities door en stelde
een manuscript van vijftig pagina’s samen dat ging over Papaji’s jonge jaren
en zijn ontmoetingen met Bhagavan. In die tijd was ik niet geïnteresseerd in
alles wat na 1950 gebeurd was. Ik stuurde hem het concept met een zekere
gereserveerdheid want er waren nog steeds passages die ik niet in de juiste
volgorde kon plaatsen maar Papaji leek enthousiast. Hij nodigde me uit terug te
komen naar Lucknow want hij had nog veel meer te vertellen. In 1993 ging ik
terug met het plan daar een korte tijd te blijven maar het liep er op uit dat ik
bleef tot hij in 1997 overleed.
Michelle: Wat trok je aan? Waarom besloot je daar te blijven,
en om zo lang te blijven?
David: Om te beginnen voelde ik zijn kracht èn zijn stilte.
We hadden hier te maken met een spirituele nakomeling van Ramana die diens Leer
verbreidde, iemand die een bepaalde tastbare energie uitstraalde die de minds
van de mensen om hem heen stil kon maken en in sommige gevallen bij hen zelfs
glimpen van het Zelf kon bewerkstelligen. Er was sprake van een roesachtige
bedwelmende sfeer waarin mensen bijna iedere dag opzienbarende ervaringen
hadden. Bovendien was er de toezegging dat ik meer bijzondere verhalen van hem
te horen zou krijgen. Mijn eerste trip was meer een poging geweest te graaien
wat er binnen handbereik was. Ik had toen maar heel weinig tijd. Door al die
begrafenis perikelen, moest ik hem er constant aan herinneren dat onze tijd
beperkt was en dat ik met hem over zijn leven wilde praten. Nu, terug van
weggeweest, wachtte ik tot hij het initiatief zou nemen maar vreemd genoeg deed
hij dat niet. Hoewel hij me uitgenodigd had om zijn verhaal te vertellen, toonde
hij geen enkele interesse om daarmee te beginnen.
Een paar weken na mijn aankomst, kreeg ik een boekenproject
waar een ander geen raad mee wist. Een Duitse arts, Gaby, was gevraagd de
interviews van Papaji met verschillende bezoekers te verzamelen en tot een boek
te formeren. Ze had er moeite mee want Engels was niet haar moedertaal. Men
vroeg mij haar te helpen maar toen ze Lucknow na een paar weken verliet, bleef
ik met het project zitten. Ik wilde er de tijd voor nemen en het meteen goed
doen maar Papaji wilde het boek zo spoedig mogelijk uitbrengen. Hij leek niet
veel geduld te hebben met langlopende projecten. Zijn motto leek, ‘Doe het, en
doe het nu!’
Iedere dag gaf ik hem passages te lezen en het duurde even
voor ik wist welke schrijfstijl hij wilde. Op een dag, toen ik hem vlak voor
lunchtijd een manuscript overhandigde, kwam ik er eindelijk achter. Na de lunch
nam hij het mee naar zijn slaapkamer om het te lezen.
Toen ik tegen vieren zijn huis weer in liep, vond ik daar een
grote watermeloen met mijn naam er op en toen ik hem even later zag, riep hij
uit, ‘Dit is precies wat ik wil! Waar is de rest? Ik wil de rest ook zien’.
Hij scheen teleurgesteld dat ik niet á la minuut het hele boek uit mijn mouw
kon toveren.
Nu ik eenmaal wist wat hij wilde, was het een koud kunstje. Ik
denk dat ik er in ongeveer twee maanden mee klaar was, weliswaar nog veel te
langzaam naar Papaji’s zin. Overigens ging het hier om het boek “Papaji
Interviews”.
Een andere reden waarom het niet sneller kon, was omdat Papaji
me betrok in een filmproject. Een Amerikaanse filmmaker, Jim Lemkin, arriveerde
in Lucknow en vroeg of hij een documentaire over Papaji en zijn Leer mocht
maken. Papaji ging akkoord en stelde mij aan als adviseur, interviewer en
zaakwaarnemer. Ik weet niet waarom ik deze job gekregen heb. Ik had in mijn
leven nog nooit iets met film te maken gehad. Drie maanden later waren we met de
film klaar. Mijn eerste drie maanden in Lucknow had ik het boek van een ander
opgeleverd en Jim met zijn film geholpen. Er was echter nog steeds geen teken
dat er op wees dat Papaji bereid was te praten over de beloofde verhalen. Een
aantal keren gaf ik hem een hint maar dat leidde tot niets.
Na een paar maanden deed ik het voorstel dat hij gewoon voor
de camera zou zitten en alle belangrijke gebeurtenissen uit zijn leven zou
vertellen. Ik wist niet hoe ik hem op een andere manier tot een gesprek kon
bewegen.
‘Ik zou het niet kunnen’ zei hij, ik heb notities nodig om
te weten welke verhalen ik vertellen moet’.
Het klonk als een nieuwe smoes om er van af te komen. Ik
besloot te blijven aandringen.
‘Geen probleem’, zei ik, ‘ik maak wel notities voor u.
Ik zal een overzicht maken van alle verhalen die ik u over uw leven heb horen
vertellen en zal ze chronologisch rangschikken. U kunt ze dan stuk voor stuk
doornemen en antwoord geven op de vragen die u aanstaan’.
Ik kreeg geen antwoord. Toch ging ik door en maakte een lijst.
Toen hij op een middag thee zat te drinken, overhandigde ik hem de lijst. Bij de
eerste vragen leek hij enthousiast. Hij vond het goede vragen en wilde er graag
op in gaan. Hij draaide de pagina om en ontdekte dat het niet om twee maar om
zestien pagina’s ging.
Zijn uitdrukking verstarde en het enthousiasme was weg. ‘Het
is wel een lange lijst’, zei hij, meewarig.
'Klopt’, zei ik, ‘u kunt ook terugkijken op een lang en
interessant leven’.
Ik hoopte mijn kans op succes te verhogen door hem te
overladen met vragen.
‘Ik moet ze eerst maar eens doornemen’, zei hij. ‘In de
marges zal ik noteren waar ik het over hebben wil’.
Dat klonk als goed nieuws. Uiteindelijk zou hij het toch
proberen. Voor zover ik kon nagaan bleef de vragenlijst maandenlang onaangeroerd
in zijn slaapkamer liggen. Ik zou hem er bij tijd en wijle aan herinneren en
kreeg dan te horen dat hij ermee bezig was. Maar waar hij ook mee bezig was, hij
deed het zonder dat materiaal aan te raken.
In 1994 hoorde ik dat Annamalai Swami wilde dat ik zijn boek
uitbracht. Ik ging naar Papaji en vroeg hem waar ik me op moest concentreren. Ik
vertelde dat ik op dat moment officieus een ander project had overgenomen. Het
stond bekend als het “Om Shanti” boek. In 1992 en begin 1993 begon Papaji
zijn dagelijkse satsang met een kort gesprek over een onderwerp dat die dag zijn
speciale aandacht had. Van deze gesprekken bestonden transcripties en het plan
was er een boek van te maken. Even leek het erop dat Caterine Ingram het zou
doen maar toen ze Papaji schreef dat zij het niet kon, voegde ze er aan toe, ‘Misschien
kan David het doen in mijn plaats’.
Papaji las de brief luid voor en zei, ‘Ja, David kan het wel
doen’. Ik zat op dat moment ergens in een hoekje van de kamer. Hij heeft me
toen niet aangekeken en ook nooit echt gevraagd er mee te beginnen. Omdat ik
niet echt om die klus verlegen zat – ik had al genoeg op mijn bord – heb ik
er nooit met hem over gesproken tot hij er nu, in 1994, mee aankwam.
Ik zei, ‘ze vragen of ik naar Tamil Nadu kan komen om er
voor te zorgen dat Annamalai Swami’s boek op de juiste manier wordt
uitgegeven. U heeft me min of meer laten weten dat ik dit “Om Shanti” boek
moet verzorgen maar ook de vragenlijst over uw biografie ligt nog te wachten.
Wat wilt u dat ik ga doen en in welke volgorde?’
Hoe ver zijn we eigenlijk met het “Om Shanti”boek? vroeg
hij.
'Er is een versie die niemand echt waarderen kan’, zei ik
Als ik die klus overneem, zal ik waarschijnlijk alles opnieuw moeten doen. Dat
gaat mogelijk maanden duren’.
‘Goed’, zei hij, ‘we hebben dat boek niet meer nodig.
Het is overbodig geworden. Ga maar naar Tiruvannamalai. Breng je nieuwe boek uit
en als je terug bent, kunnen we beginnen met mijn levensverhaal’.
Dit was precies wat ik graag wilde horen. Ik had nu
toestemming om weg te gaan en Annamalai Swami’s boek uit te brengen. Ik raakte
een klus kwijt waar ik mee in mijn maag zat en ik had de toezegging dat hij
onmiddellijk na mijn terugkeer uit het zuiden mee zou werken aan mijn
belangrijkste opdracht.
Het zou anders lopen. Als Papaji ergens bij betrokken raakte,
liep alles zelden zoals gepland. Ik had zijn huis nog niet verlaten of hij
stuurde iemand er op uit om een groot notitieblok te kopen. Hij haalde mijn
vragenlijst uit zijn slaapkamer, blies het stof eraf en begon alle antwoorden op
mijn vragen in het notitieschrift op te schrijven. Ik heb horen vertellen dat
hij er dagelijks enkele uren mee bezig was alle vragen op mijn grote vragenlijst
te beantwoorden. Het moet een hele opgave zijn geweest. Het was zomer; er waren
stroomstoringen en hij had een medische kraag om zijn nek omdat hij last had van
spondylitis. Hij kostte hem moeite naar beneden kijken, naar de pagina’s die
hij aan het schrijven was.
Dag na dag hield hij het vol en toen ik tenslotte terug kwam,
had hij bijna 150 pagina’s geschreven. Op het moment dat ik binnenkwam, stopte
hij met schrijven en zou de pen niet meer oppakken. Ik heb hier vaak over
nagedacht maar ik heb er nog steeds geen zinvolle verklaring voor. Waarom moest
hij een half jaar wachten tot ik de stad uit was voor hij met zijn memoires
begon en waarom stopte hij op het moment dat ik terugkwam? Hij was degene die me
gevraagd had zijn officiële biograaf te worden maar tegelijkertijd bleek hij
niet staat mijn vragen te beantwoorden als ik in de buurt was. Daar komt nog bij
dat niemand het in zijn hoofd zou halen hem verlegen te noemen of terughoudend.
Als hij iets wilde, dan deed hij het gewoon! En als hij iets wilde zeggen, zou
er niets zijn dat hem daarvan kon weerhouden. Hij was even moeilijk te stoppen
als een bulldozer.
Het waren deze persoonlijke notities die ik nodig had om mijn
boek op te zetten. Naast goede versies van verhalen die ik al kende, waren er
veel dingen waar ik nog nooit van gehoord had. Ik zette mezelf aan het werk. Ik
kreeg een computer; er waren vrijwilligers die naar alle oude tapes van Papaji
luisterden om verschillende verhalen te horen; ik schreef naar een ieder wiens
naam in zijn adressenbestand te vinden was en interviewde iedereen die ooit met
hem te maken had gehad.
Het was een heel langdurige onderneming maar ook heel erg de
moeite waard. Ik ontdekte over de gehele wereld mensen die door Papaji
letterlijk getransformeerd waren, soms door slechts één enkele ontmoeting.
Als ik aanvullende informatie nodig had, maakte ik een
vragenlijst en Papaji gaf me dan zijn handgeschreven antwoorden.
Als het over zijn levensverhaal ging, scheen hij het liefst op
deze manier te willen werken. Als ik daarentegen met vragen over zijn Leer kwam
aanzetten, nam hij die vragen mee naar de satsang en beantwoordde ze daar zodat
een ieder er direct van kon profiteren.
Tijdens zijn leven verbood Papaji zijn devotees meestal over
hem te praten. Hij stelde terughoudendheid op hoge prijs om zo zijn privacy te
waarborgen. Toen ik oude devotees aanschreef omdat ik hun verhaal wilde hebben,
schreven zij onmiddellijk naar Papaji en vroegen hem wat ze moesten doen. Ik had
ze in mijn brief al verteld dat ik Papaji’s toestemming had, maar toch vonden
ze het nodig dat nog even na te checken. Papaji moedigde deze mensen aan en in
sommige gevallen gaf hij ze zelfs opdracht mij hun verhaal te vertellen. Er
waren mensen bij die met voorvallen kwamen die zelfs hun familieleden niet
kenden.
Steeds als ik met een hoofdstuk klaar was, liet ik het door
Papaji lezen. Hij nam het dan eerst door in zijn kamer en nam het dan later mee
naar de satsang om het daar voor te lezen. Later zou hij gewoon zeggen, ‘Leg
maar in de satsang-zak. Ik zal het morgen voorlezen’. Ik moet toegeven dat ik
geraakt was door het vertrouwen dat hij in die tijd in me had. Ik denk niet dat
ik er mee zou instemmen zelf mijn biografie ten overstaan van 200 mensen te gaan
voorlezen zonder te weten wat men geschreven had. Aanvankelijk maakte hij een
paar correcties maar toen ik eenmaal wist hoe hij zijn verhalen gepresenteerd
wilde hebben, gebeurde dat nog nauwelijks. Hij begon zelfs te lezen zonder pen
in zijn hand. Op de laatste paar honderd pagina’s was het enige wat hij
corrigeerde, de juiste schrijfwijze van de namen van enkele Indiase devotees. Ik
had die namen verkeerd gespeld omdat ik ze van horen zeggen had. Het laatste
deel nam hij door in de zomer van 1997, ongeveer een maand voor zijn overlijden.
Soms vind ik het jammer dat ik niet harder gewerkt heb. Ik had
hem dan een exemplaar van het eerste boek kunnen overhandigen maar dat kwam pas
uit medio 1998.
Na zijn overlijden in September 1997 rondde ik het werk aan
“Nothing Ever Happened” af en keerde terug naar Tiruvannamalai en daar ben
ik eigenlijk sindsdien gebleven.
Michelle: Wat ben je gaan doen toen je terug kwam? Waar ben je
nu mee bezig?
David: Ik heb een tijd niets gedaan. Ik moest even stoppen met
schrijven en had nog geen nieuwe plannen. Tot medio 1998 waren er nog de
proefdrukken van ”Nothing Ever Happened” die ik moest doornemen maar daarna
ben ik ongeveer één jaar lang totaal met schrijven gestopt. Papaji had me
gevraagd zijn satsang tapes in Lucknow te bewerken en als boek uit te brengen.
Hij vertelde me zelfs hoe dat boek er uit moest zien. Dit is een flinke klus en
ik ben er pas kort geleden mee begonnen.
In 1999 dacht ik opeens aan het project van de jaren 80 om
verhalen rond Bhagavan te verzamelen. Twee boeken over Annamalai Swami en vier
boeken over Papaji hadden me zo’n tien jaar bezig gehouden maar toen een van
mijn vrienden hier, me vroeg een nog niet gepubliceerd hoofdstuk te mogen
inzien, heb ik alles uit de lade gehaald en voor het eerst in misschien tien
jaar tijd, weer gelezen. Het werd me duidelijk dat ik voldoende materiaal had
dat geschikt was voor publicatie en ben ik begonnen een boek samen te stellen.
Met deze speciale uitgave, “The Power of the Presence” in drie volumes, ben
ik ongeveer drie jaar geleden begonnen en pas onlangs verscheen het laatste deel
van de pers.
Michelle: Je geeft nu je eigen boeken uit. Hoe is dat zo
gekomen?
David: Medio 2000 nam ik contact op met Penguin in New Delhi
om te zien of zij interesse hadden in wat later als de “Power of the Presence”
zou verschijnen. Ook wilde ik weten of ze bereid waren een Indiase editie uit te
geven van “Nothing Ever Happened”. Dat boek was voor de meeste Indiërs
onbetaalbaar. Op dit moment is er alleen een Amerikaanse uitgave die $ 45 kost
wat overeenkomt met 2.100 Indiase rupees. Er is hier bijna niemand die
dergelijke prijs betalen kan.
Toen ik naar het hoofdkantoor van Penguin India ging voor een
gesprek met degene die verantwoordelijk was voor de spirituele boeken, sprak ik
met een vrouw die beweerde dat “Be As You Are” geen Penguin boek was en dat
er op het kantoor niets over bekend was en evenmin over mij. Ik kon me niet
voorstellen dat ze serieus was maar ze was het echt. Het boek was ruim tien jaar
lang herhaaldelijk uitgebracht maar er was op het hoofdkantoor niets van te
vinden, zei ze, niet in de catalogus, noch in de computers. Ik besloot dat ik
niets te maken wilde hebben met een uitgever die boektitels en schrijvers zó
totaal kon laten verdwijnen dat ze zelfs in hun computers niet meer te vinden
waren. Ze wist zelfs niets van de edities die in verschillende Indiase talen
waren uitgebracht.
Ik heb altijd slechte ervaringen met commerciële uitgevers.
Toen “Be As You Are” voor het eerst uitkwam, medio jaren 80, vertelde de
oorspronkelijke uitgever mij daar niets van en stuurde me niet eens een
exemplaar. Het eerste exemplaar dat ik ooit in handen kreeg, was via een vriend
die het medio jaren 90 in een 2e hands boekhandel gekocht had.
Uiteindelijk besloot ik “The Power of the Presence” zelf
uit te brengen. Ik vind het plezierig zelf betrokken te zijn bij het hele
traject, van het oorspronkelijke idee tot en met de distributie en promotie
duizenden kilometers verderop.
Michelle: Wat staat ons behalve de nieuwe Papaji boeken nog
meer te wachten?
David: Ik werk nu aan een nieuwe uitgave van Bhagavan’s Leer
die naar ik hoop zo rond het einde van het jaar uit zal komen. Het boek zal
gebaseerd zijn op instructies door Bhagavan die door Muruganar in een Tamil werk
genaamd “Sri Ramana Padamalai”, zijn weergegeven. Dit zal waarschijnlijk ook
de titel van het boek worden wanneer het uitkomt. Verder zijn er nog een paar
plannen maar die zijn zo vaag dat ik er echt niets zinnigs over zeggen kan. Ik
denk dat ik deze middag genoeg gezegd heb en mijn stem is ook een beetje op. Kom
over een jaar maar terug om te vragen wat voor nieuws er is en misschien kan ik
je dan meer vertellen. Voor dit moment is het wel genoeg.
|