|
In december 2000 reisde ik naar Engeland
om de begrafenis van mijn vader bij te wonen. Ik had bijna twintig jaar
onafgebroken in India gewoond, voornamelijk in Tiruvannamalai, een
middelgrote stad in het zuiden van het land. Ik was in die periode niet
vaak in Engeland geweest en op de begrafenis waren dus mensen die ik soms
meer dan dertig jaar niet gezien had, oude buren, leden van Vader’s
kerk, en mensen met wie hij gewerkt had vóór hij ongeveer twintig jaar
geleden met vervroegd pensioen ging. We keken elkaar aan om te zien wie de
tand der tijds het best doorstaan had. Mijn zus Geraldine raakte in
gesprek met mrs. Broad, een vroegere buurvrouw die als administratrice
gewerkt had op de school waar mijn vader jarenlang les had gegeven.
“Hoe is het met David?” vroeg mrs.
Broad. “Is hij nog steeds missionaris in India?”
Geraldine begon te lachen. “Hij is
geen missionaris en is het ook nooit geweest. Dat is gewoon een verhaal
dat Moeder verzonnen heeft. David woont in India en schrijft daar boeken
maar die hebben niets met het Christendom te maken“.
Mrs. Broad slaakte een zucht van
verlichting. “Oh, ik ben zo blij dat je me dat vertelt. Het leek me al
iets wat helemaal niet bij hem paste“.
Het verhaal van de missionaris ontstond
in de late jaren 70, begin jaren 80, een periode in mijn leven waarin mijn
moeder haar best deed mijn activiteiten in India te verdoezelen. De
noodzaak hiervan zal duidelijk worden als men bedenkt dat ongeveer ieder
familielid van moederskant actief lid was van de Methodisten kerk. Zij die
nog leven, zijn het nog steeds. Van Moeder’s kant zijn een oom en twee
neven dominee. Mijn Opa van vaderskant was ook dominee in die Kerk en
zelfs mijn vader was jarenlang actief lid in de geloofsgemeenschap. Men
kan zich dus de consternatie voorstellen toen ik als jongeman van net in
de twintig naar India ging om in een Ashram te wonen en als een devote
Hindoe te gaan leven.
Mijn moeder was fysiotherapeut die het
grootste deel van haar werkzame leven bezig was met gehandicapte kinderen
maar had ze ooit een tweede kans gekregen dan had ze voor een andere
carrière gekozen namelijk die van Boodschapper van Goed Nieuws. Ze wist
altijd onplezierige feiten te ontwijken en op het laatst was ze er van
overtuigd dat wat ze geloofde ook echt waar was. En was ze eenmaal ergens
van overtuigd, dan wist ze dat geloof op overtuigende manier uit te
dragen.
Nadat ik een paar weken in India was,
stuurde ik ze een brief van tien kantjes waarin ik uitlegde hoe ik mijn
geloof in de praktijk beleefde. Om dat wat te verduidelijken, gebruikte ik
een aantal passages uit de Bijbel die naar mijn mening relevant waren.
Moeder’s opwekkende antwoord was, “Ik
ben zo blij dat je nog in God gelooft“.
De clou van de Goede Nieuwsgaring is
defensief te werk te gaan en jouw interpretatie te publiceren vóór
andere versies in omloop komen. Ze nam een week later mijn brief mee naar
de bijeenkomst van vrouwen van de parochie, vroeg even de aandacht en las
de hele brief voor. Omdat de Bijbelse passages bekend voorkwamen en op
zijn plaats, en omdat er op een positieve manier over gesproken werd, wist
ze haar geloofsgenoten er van te overtuigen dat ik me bezig hield met een
esoterische vorm van christendom. De romantische mythe van “Mijn zoon
David, de missionaris” was geboren.
De vedantische ideeën die ik
ongetwijfeld ook genoemd had, hadden blijkbaar de oren van de
geloofsgemeenschap niet bereikt. De feiten die wel voor zich spraken waren
als volgt: Ik kwam van een goede Christelijke familie; Ik had zonder
twijfel een groot geloof in God; Ik was naar India gegaan vanwege
religieuze gronden. Het was niet moeilijk om uit deze legpuzzel een
verhaal te construeren waarin ik als missionaris optrad.
Me van niets bewust versterkte ik dit
verhaal door in een brief te melden hoe ik omging met de schrijnende
armoede die ik overal in India tegenkwam. Al kort na aankomst besloot ik
geen geld meer te geven aan bedelaars omdat als die je eenmaal als
regelmatige donor kennen, ze je en masse lastig gaan vallen zodra je je
huis uit komt. Ik had niet veel te geven - mijn totale bezit bedroeg nog
geen $ 500 - maar mijn geweten zou me niet toelaten niets te doen. In mijn
eerste jaar in India loste ik deze tweestrijd op door met Kerstmis de
bedelaars en arme mensen in de buurt een goede maaltijd aan te bieden. Ik
besloot mijn aalmoezen voor het komende jaar in één keer uit te reiken
en de rest van het jaar niets meer te geven. Uit de ashram keuken leende
ik twee enorme pannen en samen met een paar vrienden stelde ik voor
ongeveer 150 mensen een maaltijd van rijst en groenten samen. Het werd een
groot succes. We aten met zijn allen in een mangoboomgaard die ik voor
deze gelegenheid had afgehuurd.
In een brief aan mijn ouders maakte ik
melding van wat er die dag gebeurd was. Mijn moeder zag hier in een goede
kans iets toe te voegen aan mijn missionaire CV. Dat ik zo genereus was
geweest juist op Kerstmis in plaats van tijdens een Hindoe festival, was
natuurlijk koren op haar molen. David de missionaris voedde nu ook de
hongerige massa’s in India.
De parochianen werden op de hoogte
gebracht van mijn Kerstmaaltijd. Ze vonden het allemaal een prachtig
initiatief dat hun steun verdiende. Er werd dus ten behoeve van mij een
collecte georganiseerd. Een paar weken later informeerde Moeder me dat de
vrouwen van de Parochie al mijn toekomstige maaltijden voor de armen zou
sponsoren. Bij haar brief zat een cheque voor de volgende maaltijd.
Het zou onbeleefd zijn geweest zo’n
goed bedoelde geste te weigeren maar tegelijkertijd wist ik dat het bij
tijd en wijle voeden van hongerige mensen niet een productieve manier is
om India’s immense armoede te ledigen. Ik heb opnieuw zo’n maaltijd
georganiseerd want dat is wat de vrouwen wilden dat met hun geld gebeurde
maar toen ik ze daar later over schreef gaf ik aan dat zij hun geld beter
konden investeren in projecten die langer duurden dan de tijd die het
spijsverteren van het eten in beslag nam. Ik weet nog dat ik ze het
volgende schreef:
Rond het begin van de 20e eeuw werd een
bekend Amerikaans zakenman en miljonair op zijn kantoor aangesproken door
een oprechte jonge socialist die hem ervan trachtte te overtuigen dat hij
anders met zijn geld moest omgaan. Met name vond hij dat een ieder gelijk
zou moeten delen.
Nadat de miljonair hem even aangehoord
had, riep hij zijn secretaresse en vroeg, “Miss Smith (of hoe ze heten
mag), Wat ben ik op dit moment waard“?
“Ongeveer 300 miljoen dollar“, was
het onmiddellijk en efficiënte antwoord.
“Jongeman”, zei de miljonair,
terwijl hij in zijn vastzakje zocht naar wat wisselgeld, “Je hebt me
volkomen overtuigd. Er zijn op dit moment twee miljard mensen op de
wereld, en dus betekent dit dat jouw aandeel in mijn geld veertien cent
is. Hier is je geld. Je kunt vertrekken en laat mij voortaan met rust“.
Dit verhaal schreef ik aan de vrouwen in
de Parochie om aan te geven dat hoe diep ze ook in hun buidel tasten, het
niet veel zou veranderen aan de honger in de wereld.
“Als u kleine bedragen schenkt en u
wilt dat die goed besteed worden“, schreef ik, “spendeer ze dan aan
schoolboeken en uniformen voor de kinderen hier. Kinderen die zelf geen
boeken hebben, kunnen hier niet naar school en bovendien willen goede
scholen dat ze in uniform gekleed gaan. Een kind dat goed onderwijs
genoten heeft, heeft hier een goede kans aan de armoede op het platteland
te ontsnappen“.
Dit voorstel werd aangenomen door de
vrouwen van de Parochie. De komende jaren zou ik geregeld giften ontvangen
waardoor veel kinderen in de buurt naar de lagere school konden en daarna
naar het vervolgonderwijs. Mijn moeder was natuurlijk in de zevende hemel.
Het gegeven dat ik vrijwel al mijn tijd aan het werk was en mediteerde in
een Hindoe Ashram deed bij haar geen belletje rinkelen. Ik was de wereld
aan het redden of tenminste een klein stukje daarvan. Ze beschikte nu over
het harde bewijs dat haar vrienden en familieleden kon overtuigen van haar
eerdere verhaal dat ik missionaris was.
In 1979 ging ik naar Engeland en ontdekt
dat Moeder me al als spreker op de Goede Doelen agenda van onze Kerk had
gezet. Ik probeerde me er nog aan te onttrekken maar volgens Moeder waren
er al overal in de buurt posters over mij verspreid. Mijn speech zou haar
geloofwaardigheid moeten onderstrepen.
Ik kon de kerkgangers die onze familie
al jaren kenden, natuurlijk niet gaan vertellen dat mijn moeder een “David
Mythe” had bedacht om ze zoet te houden. We kwamen tot een compromis
waarbij ik beloofde een voordracht te geven over de problemen waar de
armen in India mee te maken hadden. Ik zou het niet hebben over mijn
liefdadige activiteiten en ik zou ook niet om geld vragen.
Het was niet echt mijn bedoeling de
toehoorders lastig te vallen maar toen ik met mijn verhaal begon, merkte
ik dat er velen van hen echt geschokt waren door wat ik soms vertelde.
Mijn vader zei me naderhand dat ik te veel bezig was geweest met de
onsmakelijke kant van het bestaan. Lepra patiënten zonder ledematen,
baby's die met opzet verminkt waren en die doorverkocht werden om het
inkomen van professionele bedelaars wat op te vijzelen, open riolen vol
drollen: dit was niet echt wat nette buurtbewoners graag wilden horen. Zij
wilden een keurig positief verhaal over India waarbij onze jongens - de
missionarissen dus - triomfeerden over armoede, tegenslag en het heidens
bijgeloof. Ik was niet bereid zo’n beeld te schetsen want onze jongens
triomfeerden absoluut niet in India. Na ongeveer een kwartier begon mijn
vader op zijn horloge te wijzen en keek me veelbeduidend aan. Hij wilde
dat ik er mee op hield of overschakelde op meer aantrekkelijke, positieve
onderwerpen. Als we in een theater hadden gezeten dan had hij volgens mij
op dat moment het doek laten vallen.
Een paar dagen later kreeg ik opnieuw
een stevige cheque om mee naar India te nemen. “De situatie is nog erger
dan we dachten”, kreeg ik te horen. “Het is duidelijk dat je meer geld
nodig hebt“.
Ik gebruikte deze nieuwe gift om in mijn
buurt een noodfondsje op te richten. Als bij iemand het dak weg waaide, of
als iemand zijn been brak bij de oogst, liet ik via een tussenpersoon wat
geld bezorgen bij het slachtoffer. Ik wilde niet dat mensen wisten dat ik
ontwikkelingsgeld mocht uitdelen want zoiets had mijn leven ondragelijk
gemaakt. Ik zou voortdurend lastig gevallen worden door zgn. slachtoffers
van allerlei denkbeeldige rampen. Ik legde dit aspect van de situatie uit
aan mijn moeder. Mama, de Goede Boodschapster kwam meteen in actie.
“David is zo nederig. Hij wil niet
eens dat anderen weten dat hij allerlei goede dingen doet.
Mijn ongewenste aureool werd nog verder
opgepoetst en gepolijst.
Begin jaren 80 gingen mijn beide ouders
met pensioen en verhuisden naar het zuiden van Spanje. Tijdens mijn
volgende trip naar Europa ontmoette ik ze daar. Een van hun buren was
Frank, een Schotse industrieel die gek was op Goede Doelen. Volgens mij
was hij voorzitter van de Schotse Rotary Club of iets wat daar op leek.
Hij vertelde me, “Bij het begin van
mijn carrière kwam ik er achter dat ik het Midas Syndroom had. Iedere
onderneming die ik startte, leverde geld op. Ik heb in die tijd riskante
bedrijven opgestart maar na verloop van tijd begonnen ze allemaal geld op
te brengen. Ik verdiende veel meer dan ik nodig had. Momenteel houd ik me
meer bezig met geld weggeven aan mensen die het echt nodig hebben“.
Zijn neiging zich in te laten met
riskante ondernemingen gold ook liefdadige instellingen. Hij vertelde over
een project in de Filippijnen waarbij ossen vervangen werden door
rendieren. Er schijnt zelfs een heel verward rendier te zijn geweest,
Frank genaamd, die in dat land voor de ploeg heeft gelopen.
Moeder had Schotse Frank blijkbaar
voorgewassen met verhalen over mijn goede werken. Ik zat daar dus in de
verwachting dat hij zijn chequeboek zou trekken. Frank had echter een
ander plan voor ogen waarbij hij zijn andere grote passie in het leven kon
betrekken. Hij hield namelijk van feesten en partijen in het algemeen. Hij
was een echte levensgenieter die het als zijn taak in de wereld zag een
ieder om hem heen net zo gelukkig te maken als hijzelf.
“Ik ga een grote lunch bestellen,
kondigde hij aan. “Ik nodig al mijn kennissen uit en laat ze daar goed
voor betalen en zeg dat het geld naar Goede Doelen in India gaat. Aan het
eind van de lunch, houd ik nog even een goed verkooppraatje om te zien of
ik nog meer geld voor je los kan peuteren“.
De “lunch” werd in de buitenlucht
georganiseerd. Ze begon rond het middaguur en duurde tot middernacht.
Enorme hoeveelheden voedsel en alcohol werden door een honderdtal mensen
geconsumeerd. Niemand werd er iets voor in rekening gebracht en ook Frank’s
verkooppraatje bleef achterwege. De volgende dag kwam hij naar mijn huis.
Met een onbewogen gezicht die toch wel
een kater verraadde, vertelde hij. “Dat was nog eens een Goed Doel.
Iedereen heeft zijn steentje bijgedragen. Kijk eens wat we hebben
opgehaald” Hij overhandigde me een stevige cheque. Ik keek er met
verbazing naar tot het tot me doordrong wat er was gebeurd. Frank was op
zoek geweest naar een goede reden om weer eens een feestje te geven en hij
had in mij die reden gevonden. Hij had het hele feest betaald - dat was al
die tijd zijn bedoeling geweest - en uiteindelijk had hij genoeg
wisselgeld gevonden om veel, heel veel mensen in India te helpen. Ik
bedankte hem en speelde het spel mee.
Het was 1983 toen dit verhaal zich
afspeelde en ik had toen zeven jaar in India gewoond. Ik had mijn tijd
daar gebruikt om te mediteren in een bekende Hindoe Ashram. Ik had er een
religieuze bibliotheek opgezet en was redacteur geweest van een spiritueel
tijdschrift waarvan de meeste lezers voornamelijk volgelingen waren van
één van de grootste heiligen in het hedendaagse Hindoeïsme. Ik had mijn
moeder van al die ontwikkelingen regelmatig op de hoogte gehouden. Ze kon
onmogelijk blijven volharden in de illusie dat ik een Christen was, zelfs
al was ze nog zo trots op de liefdadigheid die ik bedreef met het geld dat
zij en haar Medechristenen bij elkaar hadden gebracht.
Uit die tijd zal me één gesprek altijd
bij blijven. Ik was in Moeder’s slaapkamer en keek naar een foto van mij
die ze daar neer had gezet.
“Hij heeft altijd in de woonkamer
gestaan“, zei ze toen ze zag dat ik er naar stond te kijken, “maar ik
moest hem ergens neer zetten waar niemand hem kon zien“.
“Waarom”? vroeg ik, Ik ben dan wel
geen filmster maar toch kon ik me niet voorstellen dat mensen van mijn
foto zouden schrikken.
‘Als bezoekers me vragen, “Wie is
dat? en ik zeg, “Dat is mijn zoon David”, dan komen ze met vragen als
“Wat doet hij“? en dan weet ik niet meer wat ik zeggen moet. Tenslotte
heb ik die foto maar naar boven gebracht omdat ik echt niet weet wat ik ze
over je vreemde gedrag vertellen kan‘.
Het was een treurig moment voor ons
beiden. Mijn moeder kon duidelijk niet begrijpen waar ik mee bezig was. We
keken elkaar een tijdje in stilte aan, het klassieke onbegrip tussen
moeder en zoon. Ik wilde begrip voor wat ik deed en voor wie ik was en zij
wilde dat ik iets deed waar ze trots op kon zijn en waar ze over kon
babbelen met haar vrienden en kennissen.
“Waarom zeg je niet gewoon dat ik een
Hindoe monnik ben en in een klooster in India woon? Dan weten ze genoeg en
het komt nog het dichtste bij wat ik werkelijk doe“.
“Zoiets kan je toch niet zeggen!
Mensen begrijpen dat niet”.
Wat ze me duidelijk wilde maken was, “Mensen
denken dan dat mijn zoon een idioot is en daar kan ik niets mee“.
Ze was haar illusies over mij kwijt maar
ze was nog niet zo ver dat ze de realiteit kon accepteren.
In de loop van de dag vertelde ze, “Ik
heb al je brieven nog bewaard. Af en toe haal ik ze te voorschijn en neem
ze dan door. Ik hoop je dan te begrijpen maar het lukt me maar niet. Ik
lees en herlees maar ik krijg er maar geen beeld waar ik iets mee kan. Ik
weet niet wat je doet of waarom je het doet. Ik kan de ander dus ook niet
uitleggen wat je doet omdat ik het zelf niet begrijp. Ik moest je foto wel
verstoppen. Het gaf me een probleem waar ik echt mee zat“.
“Ik begrijp niets van je filosofie of
van je manier van leven maar ik merk wel dat je gelukkig bent als je daar
bent. Wat je doet geeft je voldoening. Ik begrijp niet hoe het kan maar ik
kan het ook niet ontkennen. Maar ik kan de mensen niet vertellen, “David
woont in India en is gelukkig want dan gaan ze vragen wat je daar doet. Ze
willen details en dan zit ik met een probleem“.
Ik probeerde haar meer duidelijkheid te
geven met boeken die ik geschreven had over de Hindoe leer die ik
bestudeerd had of gepraktiseerd. Moeder las mijn boeken nooit maar zette
ze wel op een plaats waar ze gezien konden worden. “Mijn zoon, de auteur
die in India woont en werkt”, had “Mijn zoon de missionaris”
vervangen.
Tijdens hetzelfde bezoek aan Spanje in
1983 vroeg ik Moeder waarom zoveel mensen hun bijdragen aan mij wilden
geven in plaats van aan een officieel Goed Doel.
“We vertrouwen je” zei ze, “en er
blijft ook niets aan de strijkstok hangen. Als een paar mensen jou £ 50
geven om schoolboeken te kopen, dan weten we dat die £ 50 ook aan boeken
wordt besteed en dat ze gaan naar mensen die ze echt nodig hebben, mensen
die zonder geld zitten. Als we die £ 50 geven aan een
Liefdadigheidsorganisatie, weten we niet wat er mee gebeurt. Het geld gaat
misschien wel op aan de lunch van een medewerker. Zelfs als er tenslotte
schoolboeken van gekocht worden, verdwijnt een deel van het geld aan
administratiekosten. Iedere keer wanneer we je geld geven, schrijf je
precies wat je ermee hebt gedaan. Ik lees je brieven voor aan alle donoren
van onze Parochie. Ze vinden het prachtig te horen dat hun geld gebruikt
werd om voor een bepaald meisje een schooluniform te kopen. Zulke
informatie krijgen we nooit van grote instellingen.
Het probleem werd me nog eens goed
duidelijk toen ik een paar weken later een advertentie zag in een grote
Britse krant. De Spastic Society, een liefdadigheidsinstelling in Londen
riep sollicitanten op voor de functie van directeur. Mijn moeder die haar
hele leven gewerkt had als fysiotherapeut voor spastici, had dat werk
gedaan in goedkope slecht uitgeruste overheidsklinieken en scholen en
moest vaak overuren maken om te zorgen dat al haar gehandicapte kinderen
de juiste behandeling kregen. Op het eind van haar carrière stond ze aan
het hoofd van een grote afdeling maar haar eindsalaris was maar een derde
van wat deze directeur te wachten stond.
“Ik zie hier een goede baan voor je“,
zei ik gekscherend, “als je tenminste weer aan de slag wilt”
Moeder kon er de grap niet van inzien.
Ze las de advertentie met een grimmige, verbeten trek op haar gezicht.
“Ik heb jarenlang geld opgehaald voor
die organisatie. De Overheid gaf ons nooit genoeg dus probeerden we voor
speciale projecten geld te krijgen van de Spastic Society. Ik heb me voor
hen eindeloos uitgesloofd om geld voor hun Goede Doel op te halen. Ik
stond met mijn rammelende collectebus ergens op straat en sprak de mensen
aan voor een bijdrage. Het geld dat ik in twintig jaar bij elkaar
schraapte bleek later niet eens voldoende te zijn om deze directeur zes
maanden lang zijn salaris uit te betalen. Van Goede Doelen heb ik mijn
buik vol. Dit maakt waarom ik nog altijd mijn vrienden aanmoedig geld naar
jou te sturen”.
Toen mijn moeder begin jaren 80 naar
Spanje verhuisde, werd de taak van het collecteren in Engeland overgenomen
door haar oudere zus, Ivy. Zij was een gepensioneerd hoofdonderwijzeres
die geregeld het woord voerde op bijeenkomsten van vrouwen. Af ten toe had
ze het over mijn activiteiten en haalde dan geld op. Midden jaren 80 begon
ik met het financieren van activiteiten bedoeld voor mensen met een lichte
vorm van lepra. In het beginstadium van die ziekte verliest de patiënt
het vermogen zijn vingers en tenen goed te bewegen. Een operatie om een
hand of voet te behandelen kostte ongeveer £ 50. Ik vond een
fietsrickshaw man die niet langer kon fietsen omdat zijn vingers het stuur
niet meer konden omvatten. Hij was de volmaakte kandidaat voor de dames in
de Parochie thuis. Een kleine gift zou de man weer op de weg helpen waar
hij zijn brood kon verdienen. De kosten van zijn operatie werden betaald
uit het geld dat zij me gegeven hadden en ik stuurde ze foto’s die “vóór
en na” genomen waren. Ze vonden het prachtig. Ik begreep wat mijn moeder
bedoelde met betrouwbare feedback krijgen over wat er met je geld
gebeurde.
Nu was deze rickshaw man ook een beetje
een schurk. Toen hij merkte dat Westerlingen bereid waren zijn operatie te
betalen, benaderde hij ze individueel en het lukt hem om vier mensen
bereid te krijgen zijn operatie te betalen. Met het extra geld dat hij zo
incasseerde, liet hij een motortje op zijn rickshaw monteren waardoor hij
niet meer hoefde te fietsen. Het overige geld zette hij om in drank maar
toch heb ik geen spijt van mijn inzet. Hij kan weer gewoon lopen en zijn
vingers goed bewegen. Niemand mag het recht ontzegd worden dit weer te
kunnen alleen maar omdat hij de operatie van £ 50 niet betalen kan.
Ik was nog steeds bezig met het steunen
van de studie van een aantal kinderen die anders niet naar school hadden
gekund. India is een corrupt land en de mensen die scholen exploiteren en
er les geven zijn net als de anderen geïnteresseerd in een extra stuiver.
De leraren van openbarescholen waar studenten gemiddeld hoge eindcijfers
scoren, krijgen soms smeergeld van de ouders van minder begaafde
scholieren die ook op die school willen. Hoe hoger een school gemiddeld
scoort, hoe populairder en hoger het smeergeld wordt. Dit werkt in het
voordeel van arme mensen met bijzonder intelligente kinderen. De docenten
hebben namelijk een aantal slimme kinderen nodig om hun gemiddelde
eindscore op te hogen. Een arm kind dat goed leren kan, kan dus altijd een
plaats krijgen zolang hij of zij maar de boeken en het uniform kan
betalen. Midden jaren 80 gebruikte ik het geld van mijn parochie
vriendinnen om arme maar intelligente kinderen in de beste openbare school
geplaatst te krijgen. Ik wist dat dit hun de beste kansen in de
maatschappij zou geven.
Nadat ik deze gegevens in een brief aan
de vrouwen had gemeld, hoorde ik niets meer van ze. Ik heb me vaak
afgevraagd waarom niet. Waren zij dan zo zuiver op de graat. Zouden zij
hun kinderen niet naar een school laten gaan waar de onderwijzers een
extra stuiver aannamen? Verstoorde ik hun droomwereld? Hun geld zou zeker
niet gebruikt worden om smeergeld te betalen. Het werd gebruikt om boeken
te bekostigen en schooluniformen. Hadden ze misschien dezelfde romantische
ideeën over mijn leven in India als mijn moeder die eens had?
Toen ik eind jaren 80 de laatste gift
ontving, kwam er een eind aan mijn carrière als pseudo missionaris. Het
gat in de markt werd opgevuld door grote buitenlandse
liefdadigheidsorganisaties die nu grote ziekenhuizen, scholen en job
trainings programma’s in en rond Tiruvannamalai ondersteunen. Het gaat
nu echt om miljoenenprojecten waar duizenden inwoners van kunnen
profiteren. Mijn druppel op de gloeiende plaat projecten zijn niet langer
nodig. Ik mis ze niet maar misschien zijn er nog Engelse dames die het
missen om £ 5 in de collecteschaal te doen om een paar weken later een
brief te krijgen waarin wordt gemeld hoe hun geld het leven van deze of
gene veranderd of getransformeerd heeft. Ik denk dat het hier allemaal om
draaide.
Lang nadat de grap van missionaris ten
einde was gekomen, gaf ik de mensen die zich zorgen maken over de verarmde
en achtergestelde mensen in de derde wereld meer waar voor hun geld.
|