|
RS: U heeft zojuist twee nieuwe boeken uitgebracht. Kunt u me
daar iets meer over vertellen?
David: Eind jaren 80 begon ik persoonlijke ervaringen te
verzamelen van mensen die Ramana nog gekend hebben. Het was mijn bedoeling een
anthologie te maken van alle bekende verhalen die nog niet gepubliceerd waren.
Om oorspronkelijk materiaal te vinden, ging ik op zoek naar boeken die wel in
Indiase talen verschenen waren maar nog niet in het Engels. Ook vond ik
bruikbaar materiaal in het Engels dat nog niet eerder gepubliceerd was.
Tijdens mijn nasporingen kwam ik terecht bij Annamalai Swami,
een discipel van Ramana die hem vele jaren van nabij heeft meegemaakt. Hij bleek
een lang en boeiend verhaal te hebben. Uiteindelijk heb ik een heel boek alleen
over hem geschreven. Vervolgens ging ik naar Lucknow om Sri Poonja (Papaji) te
interviewen. Zijn story was zo fascinerend dat ik vier jaar in Lucknow gebleven
ben en tenslotte een biografie van maar liefst 1.200 pagina’s schreef. Het
originele project over Annamalai Swami kwam in een lade terecht en ik ben er
ongeveer een jaar geleden weer aan gaan werken.
Wel heb ik mijn oorspronkelijke plan veranderd. Ik gebruik nu
ook materiaal dat al eerder gepubliceerd is maar omdat die boeken voor het
grootste deel niet buiten India te koop waren, denk ik dat het meeste materiaal
voor de lezers, zelfs voor de devotees van Ramana, nieuw zijn.
RS: Hoe kwam u ertoe Sri Ramana Maharshi juiste op deze manier
te benaderen?
DG: Ramana betekent voor een ieder weer iets anders. Er is
geen standaard Ramana die door iedereen herkend wordt. Ieder bekijkt hem met
andere ogen, en Ramana, in zijn onpersoonlijke en mindloze staat absorbeert en
reflecteert ieders devotionele en mentale energie. En dus ervaren verschillende
mensen hem op een verschillende manier.
Als ik zelf over Ramana wil schrijven, moet ik pas met mijn
eigen redactionele commentaar komen na weergave van al die verschillende
ervaringen en indrukken. Dus, dacht ik, ‘Laat een ieder voor zichzelf spreken.
Laat de mensen vertellen wie hun unieke Sri Ramana Maharshi is’.
Uit de boeken van Agatha Christie kennen we Hercule Poirot,
een door haar bedachte detective. In een verhaal raakt hij, zodra hij het spoor
bijster is, met ieder van de betrokkenen in gesprek en luistert alleen maar naar
wat zij te zeggen hebben. Poirot’s theorie was als volgt: “Als je mensen
maar lang genoeg over zichzelf laat praten, geven zij zich vroeg of laat bloot”.
Dit was ook mijn aanpak. Ik wilde niemand’s verhaal bewerken
of bekorten. Integendeel, ik wilde het zo gedetailleerd mogelijk maken. Dus liet
ik ze aan het woord om te horen wat ze kwijt wilden. Als je iemand dertig pagina’s
de ruimte geeft om te praten of te schrijven over hun relatie met Ramana, zullen
ze met heel intieme dingen over zich zelf aankomen. Dat was ook mijn bedoeling.
Het creëren van een intieme portrettengallerij van Ramana, waarbij ieder
portret liefdevol geschetst is door iemand met een heel eigen, unieke kijk op
deze grote persoonlijkheid.
RS: Kunt u een favoriete passage uit één van die boeken
beschrijven?
DG: In de jaren 80 toen de eerste versies van deze
hoofdstukken klaar waren, liet ik ze in mijn vriendenkring in Tiruvannamalai
circuleren. Ik vroeg aan ieder om ze een cijfer te geven al naar gelang de
kwaliteit van zo’n verslag. Sommige hoofdstukken die van de één een tien
kregen, bleken bij een ander een grote onvoldoende te scoren. Dit bevestigt wel
wat ik zojuist gezegd heb: een ieder heeft een ander concept van Ramana en,
omdat mensen een uniek beeld hebben, reageren ze anders op verhalen die ze over
hem horen. Mijn favoriete hoofdstukken scoorden bij mijn vrienden beduidend
lager.
Het is momenteel trendy dat mensen opscheppen over hun
spirituele ervaringen. Mensen springen soms een gat in de lucht en schreeuwen
van de daken, “Ik ben verlicht! Ik ben verlicht!” Ik voel me meer
aangesproken door de oprechte eerlijkheid van iemand als Sivaprakasam Pillai die
na vijftig jaar bij Ramana te zijn geweest, nog steeds klaagde over zijn fouten
en gebrek aan spirituele vooruitgang. Let wel, het gaat hier om iemand die als
eerste Ramana zo ver kreeg dat hij in 1901 zijn Leer over Zelfonderzoek
opschreef. Ik bewonder zijn eerlijkheid, zijn eenvoud en integriteit door zijn
bekentenis dat hij nog steeds zijn mind niet bedwongen heeft. Ik kan ook
genieten van de Leer van Ramana zoals opgetekend door Sadhu Natanananda waar
mijn vrienden ook niet veel in zagen. De volgende passage vond ik bijzonder de
moeite waard:
Er was een vrouw die zodra ze Ramana zag, hem met veel devotie
op traditionele wijze eer bewees. Ze liet zich voor hem op de grond vallen en
raakte zijn voeten aan waarna ze de handen die Zijn voeten hadden aangeraakt, op
haar ogen legde. Toen Bhagavan zag dat ze dit dagelijks deed, zei hij op een
dag. “De Satgoeroe is het hoogste Zelf dat zich als de Werkelijkheid in je
hart bevindt. De staat waarin gedachten ontbreken, stralend als het innerlijke
verlichte ‘Ik’ vormt zijn gracieuze voeten. Alleen totale acceptatie van
deze staat [onze eigen innerlijke heilige voeten] kan je werkelijk bevrijden.
Als je het oog dat jouw wereld waarneemt[chidabhasa] en dat beperkt wordt door
jouw besef van individualiteit[jiva bodha] op deze heilige voeten laat rusten
als het werkelijke bewustzijn, ontstaat de vereniging van hoofd en voeten en
weet je de werkelijke betekenis van het woord “Zijn ”. Tracht deze
innerlijke heilige voeten onophoudelijk en op natuurlijke wijze te visualiseren
en houd je daar aan vast want dit is je werkelijke natuur. Dit is de enige
juiste wijze om tot bevrijding te komen en tot de Allerhoogste Waarheid.
Ik respecteer een ieder die toewijding heeft voor de vorm van
Ramana maar tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat zijn respons op deze vrouw
zuivere Advaita was.
RS: Als we eens teruggaan naar vroeger. Kunt u me iets
vertellen over uw eigen achtergrond …. bijzonderheden over uw familie en hoe u
bij Sri Ramana Maharshi bent terecht gekomen.
DG: Ik ben geboren in 1953 in Stoke-on-Trent, een Engelse stad
van 300.000 inwoners die ongeveer halverwege Birmingham en Manchester ligt. Mijn
vader was hoofdonderwijzer en moeder was fysiotherapeut, gespecialiseerd in
kinderen met een lichamelijke handicap. Beiden zijn overleden. Ik heb twee
zusters waarvan er één een jaar ouder is. Ze was vroeger professioneel
bergbeklimmer en momenteel geeft ze instructie aan mensen die willen weten hoe
ze in de bergen en in de jungle kunnen overleven. Als reisleidster begeleidt ze
hen soms bij reizen naar exotische en moeilijk toegankelijke bestemmingen. Mijn
jongste zuster is nu 43. Ze is docente op een middelbare school in Engeland.
Na het einde van mijn schooltijd, werd ik in 1972 ingeloot op
de Universiteit van Oxford. Ik heb daar weinig gestudeerd maar me destomeer
geamuseerd. Het moet in mijn tweede jaar geweest zijn dat ik geïnteresseerd
begon te raken in Oosterse spirituele tradities. Ik leek wel een onlesbare dorst
te hebben naar die kennis en dat leverde me fikse rekeningen op van de
boekhandel maar geen bevrediging. Tot ik op een dag thuis kwam met het boek van
Arthur Osborne, “The Teachings of Ramana Maharshi in his Own Words” Bij mijn
eerste confrontatie met de woorden van Ramana raakte ik door stilte overmand.
Mijn mind hield op met vragen stellen en vergat zijn zoektocht naar spirituele
kennis. Hij had ergens begrepen dat dit was waar ik naar op zoek was.
Ik moet dit even verduidelijken. Het was niet zo dat ik een
nieuw geloofssysteem ontdekt had. Het was meer een ervaring die me ergens bracht
waar stilte was. In die stilte wist ik direct en intuïtief de betekenis van
Ramana’s woorden en waar zij naar verwezen. Omdat deze plek zelf het antwoord
vormde op al mijn bestaande vragen en ook op alle vragen die daarna in me
opkwamen, verdween het idee dat die antwoorden nog ergens anders te vinden
waren. Ik denk dat ik het boek op een middag gelezen heb maar tegen de tijd dat
ik het uit had, had het mijn gehele kijk op mezelf èn op de wereld veranderd.
Deze ervaring maakte dat ik begreep dat de academische
benadering te kort schoot om ware kennis te vergaren. Ik zag hoe het gehele
wetenschappelijk onderzoek in feite gebaseerd was op een soort reductionisme.
Hierbij wordt iets groots tot op zekere hoogte geanalyseerd om daarna te
concluderen hoe het geheel in feite werkt. Het is een verantwoorde manier om
mechanische objecten te begrijpen zoals de motor in de auto maar ik begreep –
en wist uit eigen ervaring - dat het een zinloze benadering was als men zichzelf
en de wereld om zich heen, wilde begrijpen. Toen ik me weer in mijn academische
studie verdiepte, was er zo’n grote weerstand tegen zowel de inhoud als tegen
de stellingen waar dat allemaal op gebaseerd was, dat mijn studieboeken mij niet
langer boeiden, en nog minder had ik animo ze door te nemen om me voor te
bereiden op mijn tentamens. Het was geen intellectueel oordeel over de vraag of
ze belangrijk waren; het was meer een wee gevoel dat me ervan weerhield meer dan
een paar regels te lezen. Tijdens mijn laatste jaar in Oxford gooide ik de
handdoek in de ring en vertrok met mijn Ramana boeken naar Ierland en deed zes
maanden niet anders dan zijn Leer bestuderen en Zelfonderzoek toe te passen.
Ik had net een bedragje van mijn oma geërfd en hoefde dat
jaar niet meer te werken. Ik huurde een huisje op het platteland waar ik mijn
eigen groenten kon verbouwen en gebruikte mijn tijd voornamelijk om te
mediteren. Het was nu 1975. Aan het einde van het jaar wilde de eigenaresse haar
huis terug hebben en vertrok ik naar Israël. Ik wilde ergens naar toe waar het
‘s winters warm en zonnig was en wilde in het voorjaar terugkeren naar
Ierland. Ik werkte op een kibbutz aan de Dode Zee en toen ik daar was, besloot
ik vóór mijn geplande terugkeer naar Ierland een korte trip te maken naar
India en de Sri Ramana Ashram. Ik informeerde naar de kosten en ontdekte dat ik
het niet betalen kon tenzij ik £ 200 op de kop kon tikken. Ik nam aan dat als
Ramana wilde dat ik naar India ging, hij me het geld daarvoor wel zou sturen.
Binnen een week ontving ik bericht van de notaris van Oma dat
er nog wat effecten op haar naam gevonden waren en dat mijn aandeel daarin neer
zou komen op £ 200. Ik ging naar India met de gedachte daar zes weken te
blijven maar ben er sindsdien min of meer gebleven.
RS: Ik heb me altijd over uw naam verbaasd. Is Godman uw
oorspronkelijke naam of heeft u die naam gekozen?
DG: Het is de naam waarmee ik geboren ben. Ik heb nooit
behoefte gehad aan een andere naam en ook heeft niemand ooit geprobeerd me een
andere naam te geven.
RS: U zegt dat u voor u naar India kwam, zes maanden bezig
bent geweest met Zelfonderzoek dat gebaseerd was op uw studie van de boeken van
Ramana. Kon u deze methode begrijpen door er over te lezen? Ik vraag dat omdat
veel mensen er moeite mee lijken te hebben. Was het nodig uw begrip te herzien
later, toen u naar de Sri Ramana Ashram kwam?
DG: Ik vond het moeilijk Zelfonderzoek te doen na alleen maar
boeken gelezen te hebben. De simpele reden is omdat ik niet veel materiaal
beschikbaar had. Ik beschikte in die tijd alleen maar over Arthur Osborne’s
drie boeken over Ramana. Hoewel die op zich de meeste aspecten van de Leer goed
weergaven, denk ik niet dat Osborne zelf een goed begrip had van Zelfonderzoek.
Hij leek te denken dat concentratie op het spirituele hart aan de rechterzijde
van de borstkas bij Zelfonderzoek een essentieel deel van het proces uitmaakte.
Later toen ik Bhagavan’s antwoorden in boeken als “Talks with Sri Ramana
Maharshi” en “Day by Day with Bhagavan” bestudeerde, realiseerde ik me dat
hij juist tégen deze werkwijze was. Maar alles bij elkaar kreeg ik door deze
boeken toch een goed basisbegrip. Ik had een groot verlangen Zelfonderzoek te
doen en had veel vertrouwen in Ramana. Ik denk dat ik hierdoor zijn zegen
ontving en daardoor op het juiste pad bleef. Als de mentale houding klopt, en
consequent wordt volgehouden, maakt het niet zo veel uit wat je doet als je
mediteert. Zuiverheid van doel en verlangen zal je dan op de juiste plek
brengen.
RS: Als iemand geïnteresseerd is in Zelfonderzoek, wat zou
hij dan moeten lezen?
DG: Ik zou zo gauw niet weten wat ik mensen aan kan raden als
ze met Zelfonderzoek beginnen. “Be As You Are” vormt zeker een goed begin
omdat het bedoeld is voor Westerlingen die nog geen eerdere kennis hebben van de
Leer van Sri Ramana. Dan is er het boek van Sadhu Om: “The Path of Sri Ramana
Part One”. Het is hier en daar wat dogmatisch maar de essentie is duidelijk.
Zelfonderzoek is zoiets als zwemmen of fietsen. Dat kan je niet uit een boekje
leren. Je kunt het leren door het te doen, steeds opnieuw tot het vanzelf gaat.
RS: Kunt u in het kort beschrijven hoe uw leven in
Tiruvannamalai er uitzag? Wat voor werk deed u in de Sri Ramana Ashram?
DG: De eerste anderhalf jaar in Tiruvannamalai was ik alleen
maar bezig met meditatie en Zelfonderzoek. Af en toe liep ik om de Berg
Arunachala. In 1977 begon ik als vrijwilliger te werken in de Sri Ramana Ashram.
Tot 1985 was ik bezig met hun bibliotheek. Ik voerde een tijdje de redactie van
“The Mountain Path“, hun kwartaalblad. Vanaf 1985 deed ik onderzoek voor
mijn verschillende boekprojecten. Eind jaren 80 en begin jaren 90 besteedde ik
ook veel tijd aan de tuin van Lakshmana Swami en Saradamma. Zij hadden in 1988
een stuk land in Tiruvannamalai gekocht en ik had me tot taak gesteld daar wat
moois van te maken. In 1993 ging ik naar Lucknow, bleef vier jaar bij Papaji en
schreef ‘Nothing Ever Happened”. Sinds mijn terugkeer naar Tiruvannamalai in
1997 houd ik me bezig met schrijven en doe onderzoek voor nieuwe boeken over
Ramana.
RS: Hoe voorzag u al die jaren in India in uw levensonderhoud?
DG: Dat deed ik niet. Het was de Voorzienigheid die me
bijstond. Ik heb ondervonden dat als je al je tijd aanbiedt aan God en aan Zijn
werk, dat hij dan voor je zorgt. In 1976 kwam ik hier met $ 500. Ik heb 20 jaar
geen geld verdient maar had toch altijd voldoende om van te leven. Tot mijn
vertrek uit Lucknow gaf ik de royalty's van al mijn boeken aan de instellingen
die mij ondersteund hadden toen ik die boeken schreef.
Toen ik voor het eerst in Tiruvannamalai kwam, raakte ik op
die plek verliefd en wilde er zo lang mogelijk blijven. Ik wist dat mijn geld
beperkt was maar ik wilde er wèl zo lang mogelijk mee doen. Er zat ergens een
rekenmachientje in mijn hoofd die als volgt te werk ging: Ik heb nu zo veel
geld, Ik heb iedere dag zo veel nodig en dus kan ik nog zoveel dagen hier
blijven. Met deze cijfers, met deze berekeningen was ik altijd bezig. Op een dag
toen ik om de Berg wandelde, viel het plotseling van me af. Het was geen mentaal
besluit. Ik onderbrak mijn wandeling en keerde me tot de Berg. Ik wist op dat
moment dat de onbekende Kracht die me hier gebracht had, me hier ook zou laten
blijven tot het zijn doel bereikt had. Ook wist ik dat wanneer het tijd zou zijn
om te vertrekken, het niet zou uitmaken of ik miljonair was of niet, ik zou
moeten vertrekken. Vanaf dat moment hield ik op me zorgen te maken over geld.
Voorheen was ik altijd met geld bezig omdat ik niet anders deed dan het
uitgeven.Toen ik me niet langer zorgen maakte, verschenen er totaal onbekende
mensen die me geld aanboden. Wanneer ik het nodig heb, verschijnt het geld
gewoon uit het niets.
RS: Kunt u mij daar een voorbeeld van geven?
DG: Toen ik eind jaren 80 als vrijwilliger in de tuin van
Lakshmana Swami werkte, stond er ongeveer $ 20 op mijn bankrekening. Iemand in
Canada met wie ik twee jaar eerder misschien tien minuten gesproken had, werd
opeens wakker met het gevoel dat hij me wat geld moest geven. Hij stuurde $
1.000 en dat was genoeg om in de tuin te blijven werken. Op deze manier heb ik
jaren kunnen leven. Als je voor goeroes werkt, betaalt God de rekening. Dat is
tenminste mijn ervaring.
Het was Papaji die me aanmoedigde voor mezelf te gaan werken.
Hij was zelf kostwinner geweest die tientallen jaren zijn gezin had onderhouden.
Hij liet in het algemeen niemand de wereld verzaken tot hij met pensioen ging en
dat gebeurt in India bij ongeveer 55 jaar. Toen ik begon met het schrijven van
"Nothing Ever Happened", nam ik aan dat alle royalty's voor hem
bestemd waren of voor organisaties die zijn Leer verspreiden. Op zeker moment,
toen ik het boek aan het voorbereiden was, liet hij me weten dat ik van de
verkoop van dat boek royalty's moest accepteren.
Momenteel word ik door geen enkele organisatie ondersteund en
publiceer ik mijn eigen boeken. Ik leef van de opbrengsten daarvan die weliswaar
minimaal zijn. In een 3e wereld land als India kan ik daar vrij goed van
rondkomen maar als ik zou proberen van de opbrengsten van mijn boeken in Amerika
te leven, dan zou ik duizenden dollars onder de armoedegrens terecht komen.
RS: Wat voor effect ervaart u in de nabijheid van de Berg
Arunachala?
DG: Arunachala bracht me hier op dezelfde wijze als waarop hij
Ramana hier bracht. Hij heeft me hier het grootste deel van de laatste 25 jaar
laten blijven. Af en toe was ik weg om bij leraren in andere plaatsen te zijn.
Sri Nisargadatta Maharaj in Bombay, Lakshmana Swami in Andhra Pradesh, Papaji in
Lucknow, maar Arunachala heeft me na afloop altijd weer terug gebracht. Hij is
mijn spirituele magneet.Het kost me moeite ergens anders naar toe te gaan als ik
denk dat ik daar spiritueel beter van word maar als ik me daar even laat gaan
dan trekt de natuurlijke aantrekkingskracht van Arunachala me weer terug. Het is
de enige plek op de wereld waar ik me werkelijk thuis voel.
Arunachala heeft meer dan 1.500 jaar mensen aangetrokken.
Ramana sprak vaak over een bepaalde heilige die zo’n 500 jaar geleden in een
van zijn verzen schreef, “Arunachala, u trekt een ieder aan die rijk is aan
jnana tapas,”Jnana tapas kan vertaald worden als het verteerd worden van
verlangen door hen die op zoek zijn naar bevrijding.
Op dit moment zijn er tientallen leraren die de wereld
rondreizen om hun ervaringen en instructies te delen. Velen van hen beroepen
zich er op afstammelingen te zijn van Ramana Maharshi via Papaji. Maar waar kwam
Ramana Maharshi’s kracht en autoriteit zelf vandaan? Van Arunachala, zijn
eigen goeroe en God. Hij heeft heel duidelijk benadrukt dat het de kracht van
Arunachala was die zijn eigen Zelfrealisatie te weeg heeft gebracht. Hij schreef
gedichten waarin hij sprak van de grootheid van Arunachala en de laatste 54 jaar
van zijn leven is hij er nooit verder dan twee kilometer van vandaan geweest.
Het is dus de kracht van Arunachala die de werkelijke bron is van het
verschijnsel dat nu over de gehele wereld te zien is als “satsang door Advaita
leraren”
Voor mij is dit de grootste krachtplek op aarde. Arunachala
heeft de afgelopen eeuwen de bevrijding van veel oprechte aspiranten
bewerkstelligd en zijn stralende kracht is tot op deze dag een baken voor hen
die willen weten wie ze werkelijk zijn.
RS: Zijn er nog mensen in leven die u beschouwt als uw goeroes
of mensen die u op spiritueel gebied buitengewoon hebben beïnvloed?
DG: Volgens mij zijn de vier belangrijkste spirituele figuren
Lakshmana Swami, Saradamma, Sri Nisargadatta Maharaj en Papaji. Ik zou Sri
Ramana Maharshi ook moeten noemen al heb ik hem tijdens zijn leven nooit
ontmoet. Ik ervaar hem even sterk als mijn andere leraren. Het Zelf dat de vorm
aannam van Ramana, is mijn goeroe. Hij ontstak de lamp van Verlichting in het
hart van een aantal volgelingen en als ik bij deze mensen kom, word ik de
schoonheid en het licht van Ramana in hen gewaar. Ik kan dus niet zeggen dat
mijn goeroe een bepaalde vorm heeft. Ik zeg liever dat het licht van Arunachala
in Ramana manifest is geworden en via hem ontstoken in Lakshmana Swami, Papaji
en Saradamma. Als ik me koester in hun licht, koester ik me in het stralende
oorspronkelijke licht van Arunachala Ramana.
Sri Nisargadatta Maharaj behoort niet tot deze lineage maar in
de late jaren 70 en begin jaren 80 speelde hij een bijzonder grote rol in mijn
leven. Ik ging naar hem toe zo vaak ik kon. Diverse malen zei hij me, “Jij
bent Bewustzijn” en het is me een paar keer overkomen dat ik begreep waar hij
het over had. Hij gaf niet alleen maar concepten, hij had het over mijn
werkelijke staat op dat moment. Dat was zijn techniek. Hij kon eindeloos spreken
over het Zelf tot je je opeens realiseerde, “Ja, dit is wat ik op dit moment
ben”.
RS: Heeft u bepaalde technieken gebruikt behalve die van
Ramana Maharshi?
DG: Neen, Vanaf het moment dat ik Ramana en zijn Leer voor het
eerst tegenkwam in de jaren 70, heb ik me nooit aangetrokken gevoeld tot een
ander Leer of discipline.
RS: Soms vraag ik me af of Westerlingen Ramana wel goed
begrepen hebben. Wat zijn de belangrijkste misinterpretaties van zijn Leer?
DG: Ik weet niet precies in welke mate Ramana en zijn Leer in
het Westen begrepen worden. Voor een groot aantal mensen is hij een icoon
geworden op hun spirituele weg. Voor de meesten is hij de belichaming van het
beste van de goeroe traditie in het Hindoeïsme maar daar wil ik wel aan
toevoegen dat volgens mij er maar weinig mensen zijn die echt veel van hem weten
en zijn er nog minder die werkelijk kennis hebben van zijn Leer. Er zijn niet
veel mensen die boeken over hem lezen – ik merk dat als ik de mijne probeer te
verkopen. Er zijn er nog minder die zichzelf zijn volgeling noemen. Ik heb
gemerkt dat er maar weinig interesse is in zijn Leer, zelfs onder de bezoekers
van de Sri Ramana Ashram. Tegenwoordig zijn de meesten van hen spirituele
toeristen, pelgrims die India rondreizen en in de verschillende ashrams en bij
leraren een kijkje willen nemen. Zo’n twintig jaar geleden kwam er een
Westerling naar de Ashram omdat hij wilde weten hoe hij op de juiste wijze
Zelfonderzoek kon doen. Dagenlang kon hij niemand vinden die zich daar mee bezig
hield, zelfs niet in de Sri Ramana Ashram. Bij de Receptie werd hem aangeraden
de publicaties van de ashram te kopen als hij er meer over wilde weten.
Tenslotte kreeg hij een, naar mijn mening, briljant idee. Hij vatte post bij de
deur van de meditatieruimte, de plek waar Ramana ruim twintig jaar gewoond had,
en vroeg aan iedereen die naar buiten kwam hoe Zelfonderzoek gedaan moest
worden. Het bleek dat van de mensen die binnen hadden gezeten, er niemand was
die zich daar mee bezig had gehouden. De één na de ander kwam naar buiten en
verklaarde, “Ik deed japa”(mantrarecitatie), of “ik was bezig met
Tibetaanse visualisaties”.
Hoe kan er een juist begrip ontstaan bij mensen die nog nooit
de moeite hebben genomen zich te verdiepen in de Leer. Hoe kunnen ze die leer
überhaupt praktiseren?
RS: Ik denk dat onder de leraren die op dit moment in het
Westen satsang geven er een aantal is dat zijn Leer verkeerd interpreteert.
Sommigen lijken een glimp van non-dualiteit en momenten van relatieve
onzelfzuchtigheid te verwarren met Zelfrealisatie. Aangezien een aantal van deze
leraren zich beroepen op hun lineage die terug zou gaan naar Sri Ramana Maharshi,
schrijven hun studenten de ideeën van deze leraren toe aan Ramana. Wat vindt u
van deze gedachte?
DG: Waar gaat de Leer van Ramana over? Als je dat aan mensen
vraagt die bekend zijn met zijn leven en zijn werk, dan krijg je antwoorden als,
“Advaita” of “Zelfonderzoek”. Volgens mij ging het bij de Leer van
Ramana niet om een geloofsovertuiging of een filosofie zoals Advaita, of een
bepaalde discipline zoals Zelfonderzoek.
Ramana zou zelf zeggen dat de essentie van zijn Leer stilte
was, waarmee hij bedoelde het woordloze geschenk dat hij als Kracht en Genade
voortdurend uitstraalde. De woorden die hij sprak, waren volgens hem bedoeld
voor mensen die deze ware Leer niet begrepen hadden. Alles wat hij zei, was
daarom voorbereidend onderwijs voor hen die niet in staat waren in zijn
aanwezigheid hun besef van “Ik” los te laten. Misschien begrijp je zijn
woorden, of denk je dat je dat zo is, maar als je meent dat zijn Leer uit
woorden bestaat, dan heb je hem werkelijk verkeerd begrepen.
RS: Bepaalde aspecten van zijn woorden lijken uniek.
Bijvoorbeeld zijn referentie naar het hart centrum aan de rechterzijde van de
borstkas. Hij zei dat daar de bron van het “Ik” te vinden was en dat het de
fysieke plek was waar het besef van “Ik” terug moest keren om tot
Zelfrealisatie te komen. In het Westen hebben mensen die over zijn Leer spreken,
het hier vrijwel nooit over.
DG: Sri Ramana sprak er ook niet vaak over. Als men er een
enkele keer naar vroeg, dan zei hij dat het “Zelf ervaren” belangrijker was
dan het te lokaliseren in een bepaald lichaamsdeel. Het is waar dat geen leraar
vóór hem er ooit over gesproken heeft maar dat wil niet zeggen dat het een
essentieel onderdeel van zijn Leer was. Ik zou ook niet willen beweren dat deze
kennis nodig is om tot een ervaring van het Zelf te komen.
RS: Wat bracht u ertoe over deze drie personen een biografie
te schrijven?
DG: In twee van de drie gevallen waren het die mensen zelf die
mij kozen. Toen ik begin jaren 80 naar zijn ashram kwam, vroeg Lakshmana Swami
me een korte biografie te schrijven over Saradamma, een voorstel dat
uiteindelijk leidde tot een compleet boek dat over hen beiden ging. Een paar
jaar later, toen ik een verslag van vijftig pagina’s had opgesteld over Papaji’s
ervaringen met Ramana was het mijn bedoeling dat te gebruiken in een boek over
de discipelen van Ramana. Papaji vond het verslag zo goed dat hij me vroeg terug
te komen naar Lucknow om een volledige biografie over hem te schrijven. Voor de
derde biografie benaderde ik Annamalai Swami aan het eind van de jaren 80. Ik
hoopte hem te mogen interviewen om aan voldoende materiaal te komen voor een
hoofdstuk in hetzelfde boek waarin ook een verhaal van Papaji zou verschijnen.
Annamalai Swami’s verhaal bleek zo uitgebreid te zijn en zo gedetailleerd in
vergelijking met wat ik voorheen over Ramana gelezen had, dat het al gauw de
vorm aannam van een zelfstandig boek.
RS: Al die hoofdpersonen lijken het Zelf te hebben
gerealiseerd. Heeft u ze daarom uitgekozen? Hoe kwam u te weten dat zij het Zelf
gerealiseerd hadden?
DG: Het eenvoudige antwoord is dat iemand die geen jnani is
niet werkelijk kan zien in welke staat de ander verkeert en ik ga niet beweren
dat ik mij in die staat bevind. Ramana vertelde de mensen dat de stilte die men
voelt in de nabijheid van zo iemand een goede indicatie is dat men te maken
heeft met een verlicht mens maar dit vormt nog geen bewijs.
Toen ik eind jaren 70 voor het eerst bij Lakshmana Swami kwam,
was het niet mijn bedoeling hem te evalueren maar zodra ik in zijn ogen keek,
hoorde ik een innerlijke stem die zei, “Dit is een jnani”. Niets heeft me
sindsdien laten twijfelen aan die eerste indruk. Ik weet niet hoe ik tot die
conclusie gekomen ben want ik had nog nooit zo’n ingeving over iemand gehad.
Iets in mij wist het gewoon. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, had ik het
grootste deel van de anderhalf jaar daarvoor gemediteerd. Mijn mind was meestal
vrij stil en ik voelde dat ik vooruitgang boekte op de weg naar Zelfrealisatie.
Echter nadat ik even door Lakshmana Swami was aangekeken, voelde ik een grotere
stilte en rust dan ik ooit op eigen kracht had kunnen bereiken. Deze éne
ontmoeting leverde me het bewijs dat een levende goeroe nodig is en het bewees
ook dat er nog mensen zijn in de lineage van Ramana Maharshi met dezelfde kracht
en aanwezigheid waar ik over gelezen had in de vele boeken van de Sri Ramana
Ashram. Sinds die dag wijd ik een aanzienlijk deel van mijn tijd en energie aan
dienstbaarheid aan zulke mensen en schrijf ik over hun Leer en leven.
RS: Wat is Zelfrealisatie? Woorden als “glimp” en “ontwaken”
zien we in “Nothing Ever Happened”. Heeft u deze termen bedacht? Wat is de
relatie tussen een glimp of verlichtingservaring en Zelfrealisatie?
DG: Ik zou zeggen dat Zelfrealisatie plaatsvindt zodra de mind
onomkeerbaar in het Hart verdwijnt. Het Hart is niet een bepaalde plek in het
lichaam. Het is het vormloze Zelf, de bron en oorsprong van de gehele
manifestatie. Zelfrealisatie is een blijvende staat en onomkeerbaar. Volgens mij
is het dan ook iets wat zelden voorkomt. Veel mensen hebben een glimp gehad of
kenden momenten waarin het persoonlijke bewustzijn, het individuele “Ik” er
tijdelijk niet is maar ik denk niet dat er veel mensen op aarde zijn in wie het
“Ik” voorgoed verdwenen is.
Papaji zei wel eens, “Wat komt en gaat is onwerkelijk. Als
een ervaring komt en gaat, is het geen ervaring van het Zelf omdat het Zelf
nooit komt en gaat”.
Ik denk dat dit een goede benadering is. Als het waar is,
betekent het dat de meeste verlichtingsverhalen gewoon gaan over andere
bewustzijnstoestanden. Pas wanneer het “Ik” volledig is uitgeblust, is er
het Zelf dat verschijnt als onze eigen natuurlijke staat.
Begrippen als “glimp” en “ontwaken” waar je het nu
over hebt, gaan over wat tijdelijk is. Ze komen en ze gaan omdat het “Ik”
zelf niet voorgoed uitgeblust is. Een krachtige goeroe mag misschien in staat
zijn aan bijna een ieder een glimp van het Zelf te geven maar het vermogen het
Zelf te laten blijven dat heeft hij niet. Als betrokkene een mind heeft vol
wereldse verlangens dan zullen deze zich tenslotte weer laten gelden en zal die
glimp verdwijnen.
RS: Hebben Westerlingen de neiging de waarde van zulke
premature ervaringen te overschatten?
DG: Als momenten van “No Mind” ervaren worden, wordt hun
waarde schromelijk overdreven door lieden die denken dat ze nu voorgoed verlicht
zijn. In de meeste gevallen verdwijnt dat besef volmaakt te zijn na afloop van
die ervaring.
RS: Ik meende dat u Papaji had horen zeggen dat hij in zijn
gehele leven maar twee mensen had ontmoet die het Zelf hadden gerealiseerd. Sri
Ramana Maharshi en een Spaanse priester. Maar hij had toch ook Sri Nisargadatta
Maharaj ontmoet. Betekent dit dat volgens hem Nisargadatta het Zelf niet had
gerealiseerd? Kunt u hier iets meer over zeggen?
DG: Toen ik Papaji voor eerst sprak in 1992 vroeg ik hem
hoeveel jnanis hij in zijn leven ontmoet had. Hij krabde eens achter zijn oor en
gaf me drie namen: Ramana Maharshi, een Soefi Pir die hij in Madras en
Tiruvannamalai had ontmoet en een zwervende mahatma, ergens in de jungle tussen
Tiruvannamalai en Bangalore. Toen ik hem beter leerde kennen, vulde hij dat
lijstje soms aan en Nisargadatta Maharaj was er dan ook bij. Papaji is hem in de
jaren 70 vaak gaan opzoeken en was erg onder de indruk. J. Krishnamurti stond
ook op zijn lijst al kon Papaji hem als leraar niet echt waarderen. De Spaanse
priester heeft nooit op zijn lijst gestaan. Volgens Papaji was hij de beste
Christen die hij ooit ontmoet had maar hij heeft nooit gezegd dat hij ook
verlicht was.
Het lijstje groeide soms, of het werd weer kleiner al naar
gelang Papaji’s stemming of geheugen maar er stonden nooit meer dan zeven
namen op. Het ging altijd om mensen die hij op zijn reizen had ontmoet. Wat me
bij het lijstje opviel was dat er nooit één van zijn eigen discipelen op
stond, een gegeven waaruit men mag afleiden dat géén van zijn discipelen het
uiteindelijk gebracht heeft tot sahaja oftewel de natuurlijke staat van de jnani.
Dit is interessant maar ook paradoxaal want vele van zijn discipelen kregen
nadrukkelijk van hem te horen, “Je bent verlicht. Je bent bevrijd”. Toen ik
zijn biografie schreef, vond ik duizenden brieven die Papaji naar volgelingen
over de hele wereld had geschreven. Ik denk dat ten minste vijftig mensen een
door Papaji zelf geschreven brief kon toonden waarin hij hen feliciteerde met
hun verlichting.
In de meeste gevallen ging het om tijdelijke ervaringen. Ik
heb me vaak afgevraagd hoe het kwam dat Papaji zo enthousiast was over
tijdelijke ervaringen en veel anderen zaten met dezelfde vraag. Veel mensen
hebben hem hier vragen over gesteld maar ik ken niemand die een echt antwoord
kreeg, ik ook niet. Toen ik hem hier over aansprak, zei hij dat hij in de Stilte
leefde en dat wanneer de Stilte sprak, ze altijd met het meest waarachtige kwam,
zelfs al leek het op het eerste gezicht niet waar te zijn. Hij voegde er aan
toe, “Ik heb mijn gehele leven in die Stilte doorgebracht. Ik heb die stem
leren vertrouwen”.
Uit deze uitspraak valt af te leiden dat Papaji soms mensen
vertelde dat ze verlicht waren terwijl hij duidelijk kon zien dat ze dat niet
waren. Hij vertrouwde de bron van deze informatie maar hij heeft nooit kunnen
uitleggen waarom die bron hem zulke dingen liet zeggen.
RS: Iemand stelde mij een vraag die ik aan u doorspeel: “Papaji
zegt dat het enige dat van belang is, is ophouden met je in te spannen. Als dat
gebeurt, verschijnt een stilte en verdwijnt de egocentriciteit. Maar in die
staat blijft het mogelijk jezelf af te vragen, “Wie ben ik”? en is er nog
altijd een vragensteller waarvan de bron nog gevonden moet worden. Met andere
woorden, zelfs in die staat is nog Zelfonderzoek nodig. Betekent dit dat Papaji
iets anders leert dan Ramana Maharshi? Wat is de relatie tussen deze moeiteloze
staat en de staat waar Ramana Maharshi over spreekt, de staat waarin men in het
Hart verblijft”?
DG: Als Papaji in satsang zegt, “Géén inspanning”, dan
probeerde hij de persoon voor hem in een staat van no-mind te krijgen waarin
geen inspanning meer nodig is of ook maar mogelijk is. Het “Ik” besef was
namelijk tijdelijk verdwenen. Hij probeerde de persoon niet halverwege die staat
te brengen waar nog inspanning nodig was. Ik geef je een paradox. Ramana
realiseerde het Zelf zonder enige moeite, zonder er ook maar in geïnteresseerd
te zijn of een bepaalde discipline te volgen. De rest van zijn leven vertelde
hij de mensen dat ze zich onafgebroken moeten inspannen tot het moment van
verlichting. Papaji was een kwart eeuw bezig met japa (mantrarecitatie) vóór
hij die kostbare ontmoeting met Ramana Maharshi had. Toen hij zelf mensen begon
te instrueren, legde hij er de nadruk op dat men zich niet moest inspannen om te
trachten het Zelf te realiseren.
Papaji’s standpunt ten opzichte van Zelfonderzoek was, “Doe
het maar één keer maar doe het wel goed”. Luisteren we daarentegen naar
Ramana dan horen we, “Doe het intensief en blijf je inspannen tot het Zelf
verschijnt”. Hoewel je Papaji nooit zo ver kon krijgen dat hij toegaf dat er
verschillen waren tussen zijn Leer en die van zijn Goeroe, mag het duidelijk
zijn dat ze het over de kwestie van het al dan niet inspannen, niet eens waren.
Papaji erkende dat meditatie en inspanning een bepaald nut
hadden. Hij zei wel eens dat men door intensieve meditatie “punyas”, oftewel
spirituele verdiensten, kon verwerven. Die zouden er dan voor zorgen dat je bij
een gerealiseerde Meester terecht kwam. Als je eenmaal zover was, dan zou je je
niet meer hoeven in te spannen. Erger nog, het zou contra productief werken. Als
je de verlichte Meester ontmoet, dan zal de kracht van het Zelf dat zich
manifesteert tijdens zijn satsang, de zaak overnemen en ontdekken dat je “Ik”
voor absorptie gereed is.
Het lijkt misschien allemaal erg verwarrend en tegenstrijdig.
De Meesters waar ik over geschreven heb, verschillen duidelijk van mening over
hoe het nu zit met die inspanning bij Zelfrealisatie. Ze zijn het er wel over
eens dat de aanwezigheid van een gerealiseerde meester, het grootste hulpmiddel
is om tot realisatie te komen. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat als men in
de aanwezigheid van zo iemand verkeert, het “Ik” vanzelf terugtreedt.
RS: In zijn boek “Relaxing Into Clear Seeing” zegt Arjuna
Nick Ardagh, “De laatste jaren zien we een dramatische toename van gevallen
waarin men heel gemakkelijk het Zelf realiseert. Er is werkelijk sprake van een
epidemie die in het Westen is begonnen waarbij het ontwaakte bewustzijn op ruime
schaal beschikbaar is geworden”. Het komt me voor dat Arjuna het heeft over
een glimp, en niet over Zelfrealisatie, en ik vraag me af of dat vandaag de dag
vaker voorkomt dan in de afgelopen millennia in India. Misschien is het grote
verschil dat Indiërs zo’n glimp niet opzienbarend vinden of niet de moeite
van het vermelden waard.
DG: Ik denk niet dat er in het Westen of waar ook ter wereld
sprake is van een epidemie van Zelfrealisatie. Ik denk dat werkelijke
Zelfrealisatie iets uitzonderlijks is. Er is een toenemend aantal mensen dat
denkt dat zij het Zelf gerealiseerd hebben maar ik denk dat zij zich zelf voor
de gek houden.
RS: Een aantal Westerse Advaita leraren die zich beroepen op
de Leer van Sri Ramana Maharshi, zegt dat Zelfrealisatie in twee stappen plaats
vindt. Eerst is er een ontwaken, een tijdelijk ervaring van non-dualiteit en van
het afwezig zijn van het Ego. De tweede stap is het stabiliseren van de ervaring
van dit ontwaken of beter gezegd, het moet permanent gemaakt worden Als ik lees
over Mathru Sri Sarada in uw boek “No Mind – I am the Self” dan krijg ik
een totaal ander beeld. In haar geval was er waarschijnlijk sprake van een
langdurig ontwaken maar was dat voor haar niet voldoende. Zelfrealisatie vond
bij haar pas plaats toen haar “Ik” af daalde in het spirituele Hart en
daarin oploste. Ik krijg de indruk dat ze voor onbepaalde tijd in de
eerstgenoemde ontwaakte staat had kunnen blijven zonder te hoeven afdalen in het
Hart. Wilt u hier iets over zeggen?
DG: Als het Ego verdwijnt, is er niemand om die ervaring te
verliezen of te stabiliseren. Dit soort ervaringen verschijnen en verdwijnen. De
ervaring verdwijnt omdat de vasana’s het “Ik” reactiveren. Als dat
gebeurt, moet je verder gaan met je spirituele discipline. Dit is de klassieke
omschrijving in de Gita, en het is ook wat Ramana verkondigt. Blijf wakker,
blijf alert en als je het “Ik” te pakken hebt, breng het dan terug naar zijn
bron.
Wat Mathru Sri Sarada betreft, Ik denk dat je het hebt over de
ervaring die ze had kort vóór ze het Zelf realiseerde. Ze dacht dat haar “Ik”
dood was omdat ze tijdelijk in het hart verbleef maar haar goeroe, Lakshmana
Swami, kon zien dat haar “Ik” niet dood was en dat er sprake was van een
tijdelijke ervaring. Het was geen werkelijk blijvend ontwaken.
Met hulp van haar goeroe ging een paar minuten later het “Ik”
terug naar zijn bron en loste daar voorgoed op. Vóór die tijd was er nimmer
sprake van een werkelijk ontwaken. De totale oplossing van het “Ik “in het
Hart was noodzakelijk om het realisatieproces af te ronden.
RS: Kunt u namen geven van hedendaagse Advaita leraren die het
Zelf gerealiseerd hebben.
DG: Ik kan me natuurlijk verschuilen achter mijn eerdere
opmerking en zeggen dat ik niet gekwalificeerd ben te zeggen wie verlicht is en
wie niet want zo is het in feite. Maar ik heb er absoluut vertrouwen in dat
Lakshmana Swami en Saradamma in die staat verkeren. Over anderen wil ik niets
zeggen.
RS: Heeft u plannen voor toekomstige boeken en uitgaven?
DG: Ik ben bezig met het derde deel van “The Power of the
Presence” en ik hoop dat het binnen een paar maanden uit komt. Daarna heb ik
een project om Tamil poëzie van Muruganar in het Engels te vertalen en uit te
geven. Hij heeft veel uitspraken van Bhagavan bewerkt tot korte verzen in Tamil
en de meeste daarvan zijn nog nooit vertaald. Het is een groot project waar we
wel twee jaar mee vooruit kunnen. Ook hoop ik in de toekomst weer te kunnen
werken aan Papaji. Met name wil ik de dialogen van de satsang in Lucknow begin
jaren 90 bewerken. Dit is een flinke klus en kan jaren duren. Onlangs heb ik de
Sri Ramana Ashram aangeboden een boek samen te stellen met al het werk dat Sadhu
Natanananda over Ramana geschreven heeft. Dat zou dan kunnen tussen mijn andere
projecten door.
Als ik ‘s morgens voor mijn computer ga zitten, heb ik vaak
geen idee waar ik tien minuten later mee bezig zal zijn. Soms lees ik wat ik
kort geleden geschreven heb, ga dan verder met wat anders en heb vervolgens een
bepaald hoofdstuk van een ander boek voor me dat opeens mijn interesse heeft. Of
ik zet de computer uit en ga naar buiten om in de tuin te werken.
Ik ben tot de conclusie gekomen dat Ramana me naar
Tiruvannamalai heeft laten komen om over hem en zijn discipelen te schrijven.
Het was niet gemakkelijk om tot deze conclusie te komen. Twintig jaar geleden
ging ik terug naar Engeland en hoopte daar genoeg geld te verdienen om voor
langere tijd naar India te kunnen gaan zonder te hoeven werken. In Engeland was
niemand bereid me in dienst te nemen. Zelfs een sollicitatie naar de baan van
vuilnisman in de dierentuin van Londen mislukte. Maar zodra de gedachte in me
opkwam een boek over Sri Ramana Maharshi te schrijven, begon alles op zijn
plaats te vallen. Hoewel ik in mijn leven nog nooit iets geschreven had, gaf een
belangrijke uitgever mij een opdracht en werd ik terug gestuurd naar India om
daar over hem te schrijven. Op deze manier is “Be As You Are” tot stand
gekomen.
Een paar jaar eerder was ik gestopt met de redactie van “The
Mountain Path” van de Sri Ramana Ashram en ging ik naar Lakshmana Swami in
Andhra Pradesh. Mijn bedoeling was daar te mediteren. Ik had genoeg van het
schrijven maar binnen een paar weken na mijn komst vroeg hij me “No Mind – I
am the Self” te schrijven. Als ik ergens werk doe dat met Ramana en zijn
discipelen te maken heeft, gaat alles goed. Als ik iets anders probeer, kom ik
in de problemen; niets lukt of wordt afgemaakt.
Ik heb er van geleerd. Ik accepteer nu dat dit mijn bestemming
is. Ik geniet van mijn werk en veel, heel veel mensen lijken mijn boeken te
appreciëren. Ik heb Papaji jaren geleden eens gevraagd of het schrijven van al
die boeken me niet van het doel afleiden. Hij antwoordde, “iedere bezigheid
die met Bhagavan te maken heeft, is een zegen”. Ik heb deze uitspraak
beschouwd als een opdracht om door te gaan met dit werk.
|